Donald Janssen

Halverwege de Tweede Wereldoorlog – precies een jaar voor D-day – werd ik in Den Haag geboren als zevende kind in een hervormd gezin met twee meisjes en vier jongens (1943). Drie weken later verhuisden we naar Amersfoort om de Haagse voedselschaarste te ontlopen. Maar ook in Amersfoort werden de laatste twee oorlogsjaren een heftige tijd. De achtertuin werd moestuin en mijn twee oudste broers moesten onderduiken. Tijdens de bevrijding zag ik op de arm van mijn vader de Canadezen de stad binnenrijden. Weer terug in Den Haag, waar mijn vader bij de Koninklijke Shell werkte, betrokken we een woning in het groene, rustige Benoordenhout, op een steenworp afstand van landgoed Clingendael, de huidige zetel van het gelijknamige Instituut. 

DJO-medewerkers, van onder naar boven: Katja Wevers, Hans Frings, Vic Sol, Victor de Leeuw, Jan Hubert, Katalin Brandsma, Donald Janssen, Jeroen van Lente. Koningin Emmakade 199, Den Haag, 1994 (foto: Bas Wilders)

Mijn vroege jeugdjaren herinner ik me als een heerlijke, onbezorgde tijd. In het grote gezin groeide ik op met mijn oudere broers en zussen en hun vrienden. Thuis was het vaak turbulent en chaotisch maar altijd gezellig; een warm gezin. Mijn oma, die bij ons inwoonde, kon prachtig voorlezen uit Rip van Winkle met sprookjesachtige illustraties van Arthur Rackham of uit Lagerlöfs Nils Holgersson. Toen mijn zussen en broers uit huis gingen werd het thuis allengs rustiger en het contact met mijn ouders intenser. 

Van jongs af aan knutselde en tekende ik graag. Op het Christelijk Lyceum Zandvliet had ik een bijzondere tekenleraar, de vader van cabaretier Paul van Vliet, die ons stimuleerde en inspireerde. De beste cijfers had ik dan ook voor tekenen. Hoewel mijn moeder lerares mode was geweest, heel goed kon tekenen en prachtig piano speelde, lag een artistieke loopbaan in onze familie niet voor de hand. Op advies van mijn meer vrijzinnige oom Wim meldde ik mij – met voorzichtige instemming van mijn bezorgde ouders – toch aan bij de Academie voor Beeldende Kunst en Kunstnijverheid in Arnhem. Deze academie stond bekend om haar toegepaste kunstopleidingen, zoals voor grafische, ruimtelijke en modevormgeving. Een toegepaste kunstopleiding gericht op het bedrijfsleven leek mijn ouders het beste. Na een driedaags toelatingsexamen kon ik in september 1961 beginnen aan de vijfjarige dagopleiding publiciteitsvormgeving en grafisch ontwerpen.

Van kamer wisselen, Arnhem, 1962 / Het nieuwe gebouw van de Academie voor Beeldende Kunst en Kunstnijverheid in Arnhem, een ontwerp van Gerrit Rietveld, 1964

Directeur Harry Verburg had begin jaren zestig nieuwe docenten aangetrokken uit Amsterdam en vooral Den Haag, waarmee hij het regionale karakter van de Gelderse kunstacademie naar een landelijk niveau tilde. Typograaf Jan Vermeulen, grafisch ontwerper Bob Balke en industrieel ontwerper Marius Wagner waren voor mij de belangrijkste vakdocenten. De gesprekken, colleges en ruimtelijke studieopdrachten van Marius Wagner vielen bij mij in vruchtbare aarde. Zo kwam ik in aanraking met het nog jonge vakgebied van de industriële vormgeving en ik nam me voor een studie industriële vormgeving te gaan volgen, liefst aan de Hochschule für Gestaltung (HfG) in Ulm Duitsland, de ‘erfgenaam’ van het beroemde Bauhaus, waar o.a. oud-Bauhaus student Max Bill lesgaf. 

Direct na mijn eindexamen aan de ABKK werd ik opgeroepen voor de militaire dienst. ‘Broederdienst’ gold niet voor mij en pas twee jaar later – voorjaar 1968 – zwaaide ik af. Echter, de maatschappijkritische HfG werd net door de ultraconservatieve regering van Baden-Württemberg voor een onmogelijk dilemma geplaatst en besloot na een rumoerig debat de HfG Ulm op te heffen. 

Marius Wagner vertelde me dat hij aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten (KABK) de driejarige Cursus Industriële Vormgeving (CIV) had gevolgd, de eerste Nederlandse opleiding voor industriële vormgeving. Deze opleiding startte om de drie jaar en het toeval wilde dat in oktober 1968 juist een nieuwe cyclus van start zou gaan. Ik meldde me aan en werd toegelaten. De vakdocenten waren allen gerenommeerde ontwerpers, zoals Kho Liang Ie, Willem Rietveld en Friso Kramer. De colleges waren op vrijdag en zaterdag. Freelancen voor reclameadviesbureaus in Den Haag (NPO, HVR), studeren, colleges voorbereiden, modellen en tekeningen maken én excursies naar studio’s en fabrieken, het viel alles bij elkaar niet mee. 

Atelierflat in Moerwijk, Donald Janssen en Arja van den Berg, 1969 (foto Tony van Muyden)

In 1964 was Arja van den Berg aan de kunstacademie in Arnhem gaan studeren. Ze viel mij op door een zekere schuchterheid en puurheid die mij ontroerden. Een mooi meisje. Het was voor mij liefde op het eerste gezicht. Tegen studievriend Erno Dieruff zei ik: met haar wil ik trouwen. We kenden elkaar toen nog niet, maar dat zou veranderen. Vijf jaar later studeerde zij af met de Docentenprijs en het jaar erop trouwden we, nu bijna vijftig jaar geleden. In het voorjaar van 1971 sprak Kho Liang Ie mij aan na een van zijn laatste colleges en vroeg of ik bij hem op zijn bureau zou willen komen werken. Een vaste baan?! Blij verrast hebben Arja en ik daar heel serieus over nagedacht. Een paar dagen later heb ik hem in Amsterdam opgezocht en verteld dat ik liever eigen baas wilde zijn. Daar heb ik later als het tegenzat nog weleens aan teruggedacht. 

In 1969 werd ik lid van de GVN, geballoteerd door Jurriaan Schrofer, en een jaar later ook van de KIO, Kring Industrieel Ontwerpers. Ik verwachtte veel van mijn nieuwe status als ‘erkend ontwerper’. Hoewel we heel zuinig moesten zijn in de door ons illegaal bewoonde atelierflat in Moerwijk (onder het atelier van schilder Rein Draayer), kochten we als het even kon vakbladen als Abitare, Domus, Form, of Gebrauchsgraphik en ook de Duitse Twen, belangrijke tijdschriften waarin we kennis maakten met de internationale design en architectuur avant-garde: Studio Alchimia, Alessandro Mendini, Memphis, Dieter Rams en Ettore Sottsass (met wie ik later in Rotterdam kennis zou maken). Vooral Domus was in de jaren zestig en zeventig voor mij een belangrijke inspiratiebron en naar ik vermoed ook voor veel Europese architecten en ontwerpers. Domus 563 (1976) publiceerde speelgoed van mijn hand.

In Den Haag had ik contact gelegd met ontwerperscollectief Checkpoint. Het was een bijzondere groep, allerlei disciplines liepen in en uit, fotografen, filmers, interieur- en modeontwerpers, kunstenaars. Kortom, een geweldig dynamische sfeer. Ik voelde me er als een vis in het water en raakte bevriend met ontwerper Rien Hagen. In 1970 was ik samen met kinetisch kunstenaar Ray Staakman en utopist Alfred Eikelenboom onderwerp in een tv-documentaire onder regie van Rien en Ton Hasebos (VPRO). De uitzending leverde naast verrassende beelden ook veel collegialiteit op maar geen ontwerpwerk.

Meatball, vlnr: Jos Bienneman, Tony van Muyden, Donald Janssen, Rien Hagen, Jan Blom, Cesar Messemaker, 1973 (foto: Frans Bouman)
Het tweetalige (Engels/Nederlands) tijdschrift Meatball is zes keer uitgekomen / Gestencilde periodiek van Schilderkundig Genootschap Pulchri

Omdat Rien Hagen en ik al enige tijd experimenteerden met het nieuwe medium video kregen we begin 1971 van Wim Beeren, conservator van de stichting ‘Sonsbeek buiten de perken’, opdracht een videoverslag te maken van deze uitzonderlijke beeldende kunstmanifestatie in Arnhem. Voor Rien en mij was dit project de aanjager om het jaar erop de Stichting Werkgroep Video op te richten (kortweg Meatball genoemd, naar een strip van Robert Crumb), samen met o.a. uitgever Paul Brand en Loek van der Sande. In een interview met dr. Koos Slootweg vertelde Rien onlangs: ‘Als kinderen van die tijd waren we tegendraads en sterk sociaal maatschappelijk bewogen, we wilden met video de mensen een stem geven’. En zo was het. Voor Meatball ontwierp ik het logo, de huisstijl, het unieke magazine en voor het latere Kijkhuis veel filmposters. Ik bleef bestuurslid tot begin jaren tachtig. Allengs merkte ik dat ik me als ontwerper toch meer thuis voelde op mijn eigen vakgebied. 

In 1976 schreef de GVN een competitie onder haar leden uit voor het ontwerpen van een reizende tentoonstelling over bewegwijzering. Het onderwerp sprak mij aan. Ik diende een voorstel in en verwierf tot mijn vreugde de opdracht. Titel: Linksaf, rechtsaf, alsmaar rechtdoor…! Veel GVN-leden werkten mee aan de arbeidsintensieve realisatie ervan. Paul Mijksenaar en Arthur Eger schreven de teksten en voerden de regie. Paul en ik hebben – met onze partners – de GVN-expositie begeleid naar het Royal College of Art in Londen, waar Herbert Spencer ons rondleidde. 

Bespreking van de tentoonstelling Linksaf, rechtsaf, alsmaar rechtdoor, Paul Mijksenaar bij Donald Janssen, Atelierflat in Moerwijk, 1977 (foto Tony van Muyden)
De opstelling in het Bouwcentrum, van de tentoonstelling Linksaf, rechtsaf, alsmaar rechtdoor

Toen Jurjen de Haan voorzitter van het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio in Den Haag werd, vroeg hij mij hun gestencilde periodiek opnieuw vorm te geven. Met kunsthistoricus John Sillevis en journalist Ton Haak in de redactie ontwierp ik een A4-magazine in een strakke lay-out en met veel beeldmateriaal. Het geliefde lijfblad komt na 42 jaar nog steeds viermaal per jaar uit, inmiddels in fullcolour. 

De Dienst Esthetische Vormgeving (DEV) van de PTT in Den Haag (1945-2002) is voor veel kunstenaars en ontwerpers een belangrijke opdrachtgever geweest, ook voor mij. De kritische houding in combinatie met de hoge kwaliteitsnormen die ‘de Dienst’ aan de ontwerpers oplegde, maakte de DEV tot een spannende opdrachtgever, want weinig was onmogelijk. De DEV was daardoor ook een uitstekende referentie voor andere opdrachtgevers. In de jaren zeventig en tachtig heb ik met DEV-medewerkers Paul Hefting, Henk Gilhuis, Arno Geels en Ewoud Bezemer met veel plezier aan uiteenlopende projecten gewerkt: nieuwe balies voor postkantoren, abri’s voor en de inrichting van mobiele postkantoren, illustraties voor PTT-agenda’s, postzegels, etc.

Dienst Esthetische Vormgeving PTT: één van twaalf advertenties in de PTT-agenda 1985 / presse-papier/kaartenhouder, 1980 / postzegels: 50 jaar Kon. Ned. Geleidehondenfonds, 1985, met ets Sunny van Arja van den Berg; 150 jaar spoorwegen in Nederland, 1989; 50 jaar Veilig Verkeer Nederland, 1982

Kees Broos en zijn vrouw Liesbeth Brandt Corstius leerden we kennen door hun aankopen van werk van Arja bij Galerie Fenna de Vries in Rotterdam. Kees was conservator bij het Haags Gemeentemuseum en kwam geregeld, soms vergezeld door Maarten Biesheuvel, bij ons in de atelierflat. In 1971 nodigde hij Arja uit voor een Ateliertentoonstelling in het museum. Ageeth Scherphuis wijdde er een tv-interview aan. In het jaar dat Theo van Velzen aantrad als directeur van het Haags Gemeentemuseum (1977) nodigden Kees Broos en Flip Bool mij uit deel te nemen aan de groepstentoonstelling Zes Haagse Ontwerpers, met Paul Driessen, Gert Dumbar, Heinz Edelmann, R.D.E. (Ootje) Oxenaar en Jaap Vegter. Tijdens de voorbereidingen van de tentoonstelling ontmoette ik Theo van Velzen. Henk Overduin schreef in het gedenkboek Theo van Velzen, Directeur Dienst voor Schone Kunsten 1977-1986 (1986):  ‘Vlak voor de komst van Van Velzen had Janssen al zijn eerste affiche en catalogus ontworpen ten behoeve van de expositie over De Norwich School (conservator John Sillevis). Een vervolg leek onvermijdelijk: Janssen, Van Velzen en zijn staf zouden naar een heftige, hartelijke coöperatie toegroeien.’ 

Haags Gemeentemuseum: A1-posters, 1977-1987

Gedurende Theo’s gehele directoraat (1977-1986) was ik zijn ‘vaste’ freelance ontwerper voor de nieuwe huisstijl, alle publicaties en tentoonstellingen. Hij gaf mij hierin min of meer de vrije hand. Als enige eis stelde hij dat tekst en beeld altijd gescheiden moesten blijven en dat de naam ‘Haags Gemeentemuseum’ (HGM) altijd een rol moest spelen. Henk Overduin: ‘De wijze waarop Donald Janssen werkt, sluit naadloos aan op de structuur van het museum. De complexiteit van de verzamelingen vraagt om flexibiliteit; de medewerkers zijn haast even gevariëerd, een ontwerper moet binnen zo’n bedrijf niet alleen over een strikt stijlgevoel, maar ook over sociale vaardigheden beschikken.’ In de tien zinderende jaren die bij het HGM volgden hebben we heel veel tentoonstellingen, catalogi en affiches ontworpen en gerealiseerd. In deze jaren heb ik met vallen en opstaan mijn museale ervaring opgedaan. Het Haags Gemeentemuseum werd mijn leerschool en laboratorium. 

Haags Gemeentemuseum: tentoonstelling Muziek in de Filipijnen, met conservator Onno Mensink, 1977 (foto: A. Frequin, HGM)

Harry Verburg, directeur van de Academie voor Beeldende Kunst Arnhem, belde mij rond deze tijd (1977) en vroeg of ik docent Gijs Bakker wilde opvolgen aan de afdeling Vormgeving in metaal en kunststof (VIMK). Deze afdeling – ook wel Industrial Design genoemd – was dé aangewezen plaats voor mij. Met vakdocenten Frank Ligtelijn, Joep Sterman en Onno van Dokkum hebben we veel nieuwe talenten opgeleid, die intussen hun sporen alweer ruim verdiend hebben. 

Arja en ik verhuisden van Rijswijk naar het deftige Statenkwartier in Den Haag. In die tijd werkte Bureau Van Mourik Vermeulen Architecten aan de renovatie en uitbreiding van het Postmuseum (het PTT-bedrijfsmuseum), maar zij hadden weinig ervaring met musea en Dick van Mourik vroeg mij mee te denken en werken aan de museale inrichting. Nog zonder vaste medewerkers ontwierp ik lichtgewicht aluminium vitrines, magnetisch koppelbare informatiepanelen, eiland-exhibits, kleurstellingen, de bewegwijzering en de uitgebreide huisstijl: kortom een geweldig totaalpakket. Het museum werd door Prins Bernhard in 1986 feestelijk geopend.

Nederlands Postmuseum: nieuwe inrichting, huisstijl en bewegwijzering, 1984-1985 (foto’s: Fridtjof Versnel)

Door de gestaag groeiende stroom opdrachten ging mijn freelance-bestaan bijna ongemerkt over in dat van een druk ontwerpbureau: Ontwerpbureau Donald Janssen. Tijdens de eerste HGM-jaren kon ik bij drukte rekenen op hulp van freelance ontwerpers Ton Martens, Adelbert Foppe en Françoise Berserik, allen bekenden van het HGM. Maar het werk eiste regelmaat, stijl- en vormvastheid. De eerste ‘vaste’ medewerkster was Norma van Rees (KABK, 1980). Vijf jaar later nam grafisch ontwerper Victor de Leeuw haar taken over. In zijn kielzog volgden Jan Hubert, Jeanne Smits en wat later Jeroen van Lente, allen afkomstig van Academie St. Joost in Breda en opgeleid door Jan van Toorn. Toen industrieel ontwerper Hans Frings (oud-student VIMK) in 1987 aanschoof was het ontwerpteam compleet. 

Vormgeving van drukwerk was en bleef een belangrijk aspect van ons werk. Voor uitgeverijen Nijgh & Van Ditmar, Bert Bakker, Waanders en Van Spijk hebben we allerhande boekomslagen, boeken en catalogi gemaakt.

Diverse omslagen: Uitgeverij de Kunst / Uitgeverij Bert Bakker / Nijgh & Van Ditmar

Terwijl ik mij concentreerde op het Haags Gemeentemuseum werkte het jonge ontwerpbureau onder andere aan: de reconstructie van de oude stadsmuur in Station Blaak, Rotterdam, de bedrijfsstijl voor zakenbank Theodoor Gilissen Bankiers en meubilair voor de NSM Spaarbank, beide in Amsterdam. Daarnaast deden we ervaring op met het inrichten van de educatieve themazalen Endogene archeologie en Exogene archeologie voor het Museon, de inrichting van het nieuwe Haags Historisch Museum, de curieuze expositie Hollandse Waterlinie in Fort Asperen met Marijke van der Wijst. Door de aanhoudende vraag vanuit de museumwereld verschoof gaandeweg onze aandacht van grafische naar ruimtelijke, industriële en architecturale vormgeving en specialiseerden we ons in het ontwerpen en realiseren van tijdelijke en (semi)permanente, interactieve, evocatieve en educatieve tentoonstellingen en duurzame, complete inrichtingen voor musea en overheid. We werden een multidisciplinair ontwerpbureau.

Haags Historisch Museum: nieuwe inrichting, 1985-1988. Glasatelier Van Tetterode, Amsterdam, bouwde deze serie vitrines met Portugees marmeren voetplaat en glazen opbouw. Over het gebruik van marmer werden in de Haagse Gemeenteraad vragen gesteld (foto: Gerrit Schreurs)

Toen in 1986 het Noordbrabants Museum van de Sint Jacobskerk verhuisde naar het door architect Wim Quist prachtig verbouwde, viermaal grotere Gouvernementspaleis in Den Bosch, vroeg directeur Margriet van Boven mij of ik de inrichting en de huisstijl van het museum wilde ontwerpen. Er volgden twee pittige jaren van stafbesprekingen met conservatoren Charles de Mooij (de huidige directeur) en Maureen Trappeniers en het ontwerpwerk. Dit alles onder het nietsontziende oog van de kritische directeur. Het harde werken, de inzet en volharding waren niet voor niets: een jaar na de opening in 1989 ontving het museum de eerste Prins Bernhard Fonds Museumprijs ‘… voor een op voorbeeldige wijze aangepast monument, waarin de collectie uitmuntend wordt beheerd en gepresenteerd.’ We bleven nog ca. tien jaar voor het museum tentoonstellingen ontwerpen.

Noordbrabants Museum: museuminrichting na renovatie en uitbreiding van het museum, 1986-1987. Ontwerp standaard glazen vitrine op stalen voet (Glasatelier Van Tetterode, A’dam)

Een nieuwe fase trad in toen in hetzelfde jaar aan Paul Mijksenaar en mij gevraagd werd een gezamenlijk voorstel te doen voor de inrichting van het Nederlands Spoorwegmuseum (NSM) in het Maliebaanstation te Utrecht, een klassiek symmetrisch stationsgebouw uit 1874 met een hoge centrale hal en twee vleugels. Ons voorstel voor ‘een verassende, heldere, eigenzinnige en zoveel mogelijk tijdloze vormgeving’ is zonder amendementen aangenomen, evenals het bijna verviervoudigde budget. Met het oog op een onbezorgde samenwerking werd Maatschap Janssen & Mijksenaar opgericht. De eerste aankoop van de maatschap waren drie faxapparaten voor een vlotte communicatie tussen de bureaus en het NSM.

Nederlands Spoorwegmuseum: bruggenvitrine in de vloer en loopbrug met modelspoor (foto’s: Fridtjof Versnel)

In goed overleg met conservator Lex van Marion werd een passende ‘vormtaal’ voor het NSM gevonden die aansloot bij de robuuste degelijkheid van de spoorwegen, onder meer door het gebruik van staal en glas in een fijne detaillering en in een strakke vormgeving. Ton Fichtinger (NS) was de uitvoerend architect voor de verbouwing. Na de opening in 1989, met veel stoom en lawaai, werd het museum genomineerd voor de ICOM-prijs en wijde PTT Post er een serie van drie postzegels aan, ontworpen door Gert Dumbar, Paul Mijksenaar en Donald Janssen (deze werd door het publiek gekozen als mooiste postzegel van 1989).

In het najaar van 1989 bezocht Andrew Scott, directeur van het London Transport Museum, met een ICOM-delegatie het nieuwe Spoorwegmuseum. Het toeval wilde dat ik die middag in het museum was. Conservator Lex van Marion stelde me aan de groep voor. Scott sprak mij even later aan. Hij bleek voor de herinrichting van zijn museum een ontwerpbureau te zoeken. Een paar maanden later werd ik uitgenodigd om in Londen mijn bureau te komen presenteren. Ik ontmoette er naast de museumstaf ook beoogd architect George Butlin. Voor de dag om was belde Andrew Scott mij: men had voor ons bureau gekozen. Dit gaf in Londense designkringen enige reuring en niet minder op ons bureau! 

London Transport Museum: paardentram en rode dubbeldekkers onder gebogen loopbrug (foto: Gerrit Schreurs, Den Haag)
London Transport Museum: bussenvitrine (foto: Gerrit Schreurs, Den Haag) / Tot ieders verrassing een emaillen gedenkplaat van het museum als dank, Londen, 1993

Het London Transport Museum (LTM) is gevestigd in Covent Garden, in een voormalige Victoriaanse bloemenhal uit 1880. We stelden de museumstaf voor de complexe sociale en technische geschiedenis van tweehonderd jaar openbaar vervoer in Londen te vertellen aan de hand van veertien thema-eilanden in een route met verschillende niveaus.

In het zestien meter hoge gebouw met een grotendeels glazen dak ontwierpen we een stalen plateau voor twee locomotieven en twee wagons (200 ton), bereikbaar via twee trappen en een gebogen loopbrug, met twee geklimatiseerde UV-vrij glazen galerijen waar lichtschuwe prenten en posters werden getoond. Hierdoor werd het expositieoppervlak dertig procent groter: van 1750 naar 2500 m². Er kwamen bijna honderd interactieve informatiepunten, touchscreens met films, audiovisuele presentaties, tableaus, geurmachines en simulatoren voor het besturen van metro, bus of locomotief. In een reeks nieuw ontworpen vrijstaande vitrines van staalplaat en glas werden prachtige schaalmodellen en andere unieke ‘exponaten’ getoond. Door een geheel nieuw type verlichting kwam het materieel extra goed tot z’n recht. De samenwerking met de jonge projectmanager Belinda Betts (de huidige directeur) en conservator Mark Dennison was een feest. De productie van al het expo-meubilair was made in Holland door Glascom (Rob Riksen) en Bruns (René Jamers). Het project duurde drie jaar, waarin het museum negen maanden gesloten was, en kostte in totaal ruim £ 4 miljoen. Van mijn bureau werkten in totaal elf ontwerpers en vier stagiairs voor het LTM. Waarschijnlijk waren wij het eerste Nederlandse ontwerpbureau dat een dergelijk groot iconisch museum in Engeland realiseerde. Omdat het ruimtelijk ontwerpwerk letterlijk veel ruimte opeiste, verhuisde het bureau naar een veel royaler negentiende-eeuws kantoorpand in Duinoord. Hier konden we verder uitbreiden: ontwerper Vic Sol en architect Jack Huyskens kwamen het team versterken en wat later Pieter Aartsen en Jeroen Franken. 

De naam Ontwerpbureau Donald Janssen werd aan de tijd aangepast en heette voortaan Donald Janssen Ontwerpers bv (DJO).

De jaren negentig waren een spannende tijd. Geleidelijk aan druppelden kostbare Apple computers het bureau binnen en begon ook bij ons het digitale tijdperk. Parallel aan het LTM werkten we aan andere grote projecten: de reizende expositie 100 jaar ESSO voor Esso Nederland; de Floriade 1992; de tentoonstelling Chaos… en de zalen Electronica en Waterland voor het Museon; voor het Amsterdamse hoofdkantoor van de Postbank; de inrichting van bezoekerscentrum Nieuwland Poldermuseum in Lelystad; de TEFAF tentoonstelling Treasures from the Hermitage; voor het Drents Museum in Assen; het Science centre Technopolis, Mechelen, België. Stuk voor stuk complexe en tijdrovende projecten. En de follow-up uit Engeland liet ook niet lang op zich wachten: uit Glasgow meubilair voor Peoples Palace; een pre-feasibility study voor een nieuw Transportmuseum in Edinburgh; en een nieuwe inrichting voor de Städtische Kunstsammlungen Chemnitz (voormalig Oost-Duitsland).

Museon: Chaos, grenzen aan de voorspelbaarheid, 1993. Samenwerkingsproject met Ecsite, Palais de la Découverte, Parijs en Museu de la Ciència, Barcelona (foto: Fridtjof Versnel)

Het spectaculaire van een tentoonstelling is dat je een verhaal vertelt door middel van ruimte, objecten, interactieve middelen, geluid, kleur, geur: daarmee maak je een mix die de mensen bijblijft.

Voor Frits Duparc, directeur van het Mauritshuis, hebben we vanaf 1991 in negen jaar tijd meer dan twintig tentoonstellingen, waaronder de twee succesvolle blockbusters Johannes Vermeer en Rembrandt zelf, ontworpen. Daarnaast ook nog catalogi, posters en nieuw meubilair. Victor de Leeuw was bij ons de ‘Mauritshuis-man’. Toen hij eind 1998 na dertien jaar het bureau verliet en succesvol zelfstandig verder ging, koos het Mauritshuis ervoor om met hem mee te gaan. 

Naturalis:zaal Oerparade, met het ontstaan van leven op aarde (foto: Naturalis)
Ringvormige vitrine Natuurtheater. Naturalis schreef hierover: ‘Volkomen vrij van de vloer en hangend aan het plafond is deze ingenieuze constructie een fraai staaltje van vernuft en techniek tegelijk. De bezoeker kan er van alle kanten doorheen kijken én lopen!’ (foto: Naturalis)

Destijds waren de wetenschappelijke afdelingen van het Nationaal Natuurhistorisch Museum over verschillende Leidse locaties verspreid. Deze werden in 1998 samengevoegd in een nieuw gebouw van architect Fons Verheijen: Naturalis. Dit museum met een collectie van meer dan tien miljoen objecten was toen het grootste en duurste nieuwe museum in Nederland van na de Tweede Wereldoorlog (ƒ137 miljoen). Directeur Wim van der Weiden en zijn museumstaf selecteerden voor de inrichting van het complex een zestal ontwerpbureaus, waaronder een uit Londen en een uit New York. DJO werd in het najaar van 1996 gevraagd twee enorme collecties op twee bouwlagen op te stellen (ca. 2.500 m² van in totaal 5.000 m²). Op de bovenetage stond ‘de immense rijkdom en de geweldige diversiteit van de natuur’ (het Natuurtheater) en op de vloer eronder ‘het ontstaan van het leven op aarde’ (de Oerparade). Het centrale thema was: de aarde is één groot en dynamisch systeem. Nadat er voor een thematische aanpak was gekozen, begonnen maanden van voorstellen doen, tekeningen, modellen en maquettes maken. Voor de enorme hoeveelheid dieren en planten ontwierpen we naast de grote dierenplateaus en een ‘kabinet’ voor mineralen en gesteenten, een hangende ovale glazen ‘ring’-vitrine voor vijfduizend planten, vlinders, paddenstoelen, vissen, etc.: zestien meter lang, negen meter breed en drie meter hoog. De bouw ervan bleek dusdanig kostbaar en riskant dat geen enkel Nederlands bedrijf de bouw aandurfde. Het Belgische Glaverbel (nu AGC Glass Europe) redde ons en het museum uit deze netelige situatie en realiseerde de vitrine als ‘experiment’ (hij heeft achttien jaar zonder problemen gehangen). De Oerparade was geheel anders en had een spiraalvormige vloerindeling. Vanuit de stam van de ‘Stamboom van het leven’ waaierden 47 expo-eilanden uit, ogend als een opgraving, die de gehele vloer vulde. Op 7 april 1998 werd het gebouw door koningin Beatrix geopend en sindsdien hebben miljoenen bezoekers Naturalis bezocht. Er werkten negen DJO-ontwerpers voor Naturalis: Victor de Leeuw, Jan Hubert, Jeroen van Lente, Bart Bekooy, Michael van der Zee, Pieter Aartsen (nu hoofd tentoonstellingen bij Naturalis), Philip Verschueren, Dennis Wienand, Brigitte Gootink en drie stagiairs.

De 21ste eeuw begon met de verhuizing naar een frisse nieuwe studio in een net prachtig gerestaureerd monument van architect Jan Duiker in Scheveningen. Een nieuw verzamelgebouw voor fotografen, (landschaps)architecten, industrieel en grafisch ontwerpers, technisch ingenieursbureaus, etc. Kennisuitwisseling en samenwerking lagen voor de hand, hetgeen ook geregeld geschiedde. Peter van der Toorn Vrijthoff van HTV-architecten adviseerde mij bijvoorbeeld bij de bouw van het Limburg Paviljoen op de Floriade 2002, dat bij ons gelijk opliep met het ontwerpen en bouwen – in een consortium – van het Overheidspaviljoen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op de Floriade.

Een van de mooiste en interessantste musea waarvoor we in dezelfde tijd werkten was het Joods Historisch Museum (JHM) in Amsterdam (2002-2004), van oorsprong een complex van vier Hoogduitse synagogen. De directie had voor de renovatie en herinrichting vier ontwerpbureaus uitgenodigd. Elk bureau kreeg een deel van het complex toegewezen. Er volgde een kennismakings- en bijscholingsperiode door rabbijn Edward van Voolen. Onze ontwerpopdracht betrof de permanente inrichting van de Grote Synagoge met het thema ‘Religie’ in de zaal en het thema ‘Geschiedenis van de joden in Nederland van 1600-1890’ op de vrouwengalerij. Mijn christelijke achtergrond en sociaal engagement werden door de rabbijn geconfronteerd met het ingewikkelde joodse wereldbeeld versus de Palestijnse status quo en het leed van diaspora en holocaust. Het JHM in Amsterdam vertelt het verhaal van de naar Amsterdam gevluchte Sefardische (vaak Portugese) joden. Hun geschiedenis is weer anders dan die van de door pogroms opgejaagde Asjkenazische joden uit Oost-Europa. Wij hebben het JHM-verhaal verteld aan de hand van hun prachtige en unieke collectie, met gebruik van veel interactieve audiovisuele middelen en kostbaar meubilair, een uitgekiende verlichting en, niet in de laatste plaats, voldoende budget. (Michel Krielaars schreef in NRC Handelsblad van 8 januari 2005: ‘Alles in deze permanente tentoonstelling (‘Religie’ genoemd) over joodse tradities en gebruiken is in de nieuwe opstelling op een perfecte manier gepresenteerd, zoals je dat eigenlijk alleen maar kent uit Amerikaanse musea als het Smithsonian in Washington.’ NRC gaf vijf bolletjes.)

Joods Historisch Museum, Amsterdam: nieuwe inrichting Grote Synagoge, 2002-2004. Tentoonstelling Religie
Joods Historisch Museum, Grote Synagoge, Vrouwengalerij: Geschiedenis van de joden in Nederland van 1600-1890

Ik had me voorgenomen – inmiddels 60 jaar – om het in 2005 wat rustiger aan te gaan doen. Het managen van het drukke, enerverende ontwerpbureau met overwegend jonge ontwerpers viel me steeds zwaarder. Na overleg met Arja besloot ik het roer om te gooien en het ontwerpbureau af te bouwen tot een eenmanszaak. Iedereen werd op de hoogte gebracht en gedurende de volgende twee jaar namen we geleidelijk afscheid van elkaar: Jan Hubert, Michael Van der Zee, Bart Bekooij, Karel Buijn en Nienke Houwen. Jan Hubert werkte als project- en teamleider al achttien jaar bij het bureau, in hoofdzaak aan ruimtelijke projecten, en was als een leraar voor de jongere ontwerpers en stagiairs. Hij startte met succes zijn eigen bureau.

Uit de reeks Monografieën over vormgeving van [Z]OO producties/Veenman drukkers, onder redactie van Donald Janssen en anderen: Tentoonstellingsvormgeving, 2002 / Uit de reeks Lecturisdocumentaires, geschreven door Donald Janssen, onder redactie van Paul Mijksenaar: Tekst in musea, 1994

Al snel bemerkte ik dat ik in mijn hernieuwde freelance-bestaan behoefte had aan assistentie op het gebied van digitale visualisaties. Industrieel ontwerper Karel Buijn, die bij ons al eerder computer-animaties voor het JHM had gemaakt, werkte freelance. Ik vroeg hem regelmatig om mijn ontwerpschetsen en tekeningen digitaal om te zetten. Bijvoorbeeld bij de inrichting van het Stadhuismuseum Zierikzee met conservatoren Peter Priester en Minke van Meerten; de inrichting van Terra Maris in Oostkapelle met Carolien Schaap; een reeks exposities voor Museum Huis Doorn met Cornelis van der Bas; en het drijvende informatiecentrum voor woningbouwproject Overhoeks met Sanna Helmer in Amsterdam-Noord. 

Van 2005 tot 2010 was ik periodiek gastdocent tentoonstellingsvormgeving aan de Reinwardt Academie, onderdeel van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten (AHK). 

Stadhuismuseum, Zierikzee, 2012 / Museum Sjoel, Elburg: laatste hernieuwde versie, 2019

Een follow-up van het JHM kwam uit Elburg, in de Bijbelgordel, waar een groep zeer betrokken ingezetenen de stichting Museum Sjoel Elburg hadden opgericht. Projectmanager Frederieke Jeletich vroeg mij de inrichting van het voormalige synagogegebouw op me te nemen (2005-2019). Een museum met een minimale collectie maar met aangrijpende verhalen en herinneringen. Het werd een intiem, sfeervol verhalenmuseum over de joodse gemeenschap in Elburg voor en in de Tweede Wereldoorlog, liefdevol gerund door Tom Bergstra met steun van een grote groep vrijwilligers. In 2010 werd het terecht beloond met de eerste Montblanc Museum Award voor het ‘mooiste kleine museum van Nederland’. 

Galerij Willem V, Den Haag: nieuw meubilair, 2011

Op een dag in 2015 vroeg Jelle van der Toorn Vrijthoff of ik ervoor voelde de herinrichting van het Vrijmetselarij Museum in Den Haag te ontwerpen. Ik ben als oningewijde door hem, een belangrijke vrijmetselaar, ondergedompeld in het gedachtegoed van de vrijmetselarij, maakte kennis met hun rituelen, boeiende verhalen, objecten en bovenal bijzondere Vrijmetselaren. In dit museum staat niet de esthetische ervaring, de collectie, centraal, maar juist het verhaal. De samenwerking verliep communicatief goed omdat we eenzelfde achtergrond hebben en dus dezelfde taal spreken. Met veel plezier hebben we van 2015 tot 2017 aan de herhuisvesting van het kantoor en de inrichting van museum en tempel gewerkt. Het is nu de etalage van de Orde van Vrijmetselaren in Nederland.

Donald Janssen Ontwerpers. vlnrt:Karel Buijn, Donald Janssen, Jan Hubert (aan de telefoon), Christien Wienand, Bart Bekooy, Michael van der Zee, Scheveningen, 2003

Door de jaren heen is mijn fascinatie voor kunst- en cultuurhistorische museale collecties toegenomen. Bij elk museumproject ging ik met conservatoren de depots in om de collecties te bekijken, zodat ik een indruk kreeg van de sfeer en de omvang, waarbij de meest bijzondere achtergrondverhalen werden verteld. Zo heb ik fantastische verzamelingen gezien, geroken, gevoeld en tentoongesteld. De museale toewijding en zorg voor die soms onooglijke, soms adembenemende verzamelingen
was en is voor mij altijd ontroerend. 

Auteur: Donald Janssen, oktober 2019
Eindredactie: Sybrand Zijlstra
Portretfoto: Aatjan Renders