Guus Ros

Guus Ros werd op 6 februari 1940 geboren in Amsterdam. Het ouderlijke gezin woonde aan de Hoofdweg, toen het westelijk einde van de stad. Zijn vader werkte sinds jonge leeftijd bij Hollandia Kattenburg, een fabriek van regenkleding, waar hij opklom tot chef expeditie. Theo Ros was een echte ‘family man’ die zondags de schoenen poetste van het hele gezin. Grootvader Ros, een gepensioneerd schrijnwerker, had op zolder een werkplaats waar Guus en zijn broer Hans heerlijk konden rotzooien. Guus’ moeder kwam uit een groot Jordanees gezin en was de dochter van een schoenlapper. Het gezin was niet kerkelijk. Guus las als jongen veel en volgde de Mulo; hij blonk uit in taal. Zijn vader vond dat hij verder moest gaan studeren, maar Guus wilde werken, geld verdienen, een spijkerbroek kunnen kopen en onafhankelijk zijn.

BRS rond 1980 v.l.n.r. Edo Smitshuijzen, Guus Ros, Jan Brinkman, Margriet Blom, Sietse Wolters, Petra Minnesma, Tineke Stevens, Niko Spelbrink, Marise Knegtmans, John Stegmeyer (foto Robbert Fels)

De rode burcht
Ik wist niet wat ik wilde gaan doen en een beroepstest wees uit dat ik geschikt was voor het grafische vak. Zo werd ik op mijn zestiende leerling-handzetter bij de Arbeiderspers onder mijnheer Ceelie, die mij de praktijk bijbracht terwijl ik een dag in de week naar de grafische school ging. De Arbeiderspers was een enorm bedrijf aan het Amsterdamse Hekelveld, met een handelsdrukkerij (offset en boekdruk), een machinezetterij (monotype- en linotype-zalen), een eigen clichéfabriek en een uitgeverij. Het was een socialistisch bolwerk en het gebouw, zo ging het verhaal, werd volledig uit de partijkas gefinancierd. Er werkten wel 1000 tot 1200 mensen en het was er een enorme herrie. Je zat als het ware in één grote machine. Ik voelde me er niet echt thuis, vond de meeste jongens grof omdat ze rotzooi trapten terwijl ik liever las. 

Op de zetterij werkten wij aan het zetsel voor boeken en tijdschriften (in lood) waar wij ook de opmaak voor deden. Een apart ‘hok’ zat vol correctoren die de proeven van correcties voorzagen. Wij voerden die correcties uit, soms wel twee of drie keer. Er heerste in het bedrijf een grote onderlinge verbondenheid; men was sociaal en kwam voor elkaar op. Eén keer in de zes weken had je nachtdienst, dan werkte je voor de krant Het Vrije Volk. Je mocht als jonge jongen tijdens de pauze niet alleen naar buiten vanwege de hoeren in de buurt en kreeg dan iemand mee die je in de gaten hield. Om de beurt had je als leerling corvee, dan riep je heel hard ‘hááááring’ en noteerde je welk broodbeleg gehaald moest worden voor de zetters, drukkers en clichémakers.  Ik moest 21 maanden in militaire dienst en begon daarna, in 1962, aan de avond-opleiding grafisch ontwerpen aan het Instituut voor Kunstnijverheids Onderwijs (IvKNO), de latere Rietveld Academie. Jacques Teljeur, een leerling-handzetter waar ik mee bevriend was geraakt, had me dat aangeraden.

Blikverruiming
Aan het IvKNO ging er een totaal nieuwe wereld voor me open. Ik trok op met klasgenoten Jan Brinkman en Niko Spelbrink. Samen met Jan voerde ik een studie-opdracht uit voor een tentoonstelling in het Stedelijk; Niko was toen al een ontwerper die tot het gaatje ging. Docent Wim Strijbosch, die ook monumentaal schilder was, kon aan mijn tekeningen zien dat ik Russische literatuur las. Het was een innemende man met een prachtig atelier aan het Amstelveld. Daarnaast hadden we les van de heer Schellevis (de schilder Perdok) en kregen we kunstgeschiedenis van professor Knipping die alle -ismen van vóór de moderne tijd behandelde. Ik raakte gefascineerd door de wereld van de kunst en was leergierig. We moesten bijvoorbeeld een schilderij maken in de stijl van het impressionisme of het kubisme; je leerde daardoor goed kijken. Ik schilderde veel in die tijd. 

Wim Strijbosch en Guus Roos (rechts) lvKNO, 1965 (foto Jan Brinkman)

Intussen was ik getrouwd en er kwamen drie kinderen. Ik weet niet hoe ik het allemaal deed, overdag en op zaterdag werken en ’s avonds, zes jaar lang, naar school. Na de academie moest ik echt afkicken. We woonden in de Derde Weteringdwarsstraat, vlakbij het Weteringcircuit, in twee kamers met alkoof en een ijskoud keukentje. We kregen ook les van Jurriaan Schrofer, die fel was op de status van het vak en lid van de vakvereniging GKf (Vereniging van beoefenaars van Gebonden Kunsten binnen de federatie). Strijbosch en hij hadden wel eens een slok op voor de klas en soms zeiden we daar wat van. We werden mondiger en eisten aandacht van de docenten. Had ik dagen aan een affiche gewerkt, zei Schrofer: ‘Daar kan ik niets over zeggen, het is goed’. Geen commentaar, daar had ik de pest over in. 

Ik bracht naar voren dat toekomstige ontwerpers gingen werken met toekomstige zetters en drukkers, dat het nodig was elkaars vak te leren kennen en stelde voor leerlingen van de Grafische School uit te nodigen. Ik wilde een brug slaan. Later, toen ik zelf doceerde, entameerde ik uitwisseling met docenten van andere academies, maar niemand wilde van zijn plekje. 

Meer boeken
Rond 1965 ging ik naar de uitgeverij van de Arbeiderspers. We werkten daar met een man of vier – inclusief Jacques Teljeur en Wim Bisschot – onder leiding van Wim Mol, als werkvoorbereiders/boekverzorgers voor de zetterij. We maakten zetinstructies en moesten manuscripten berekenen, proeven nakijken op inspringen, paginering, noten etcetera. Opdrachten voor omslagen gingen naar ontwerpers en illustratoren van buiten. Wij waren verantwoordelijk voor het binnenwerk en de typografie, maar we bedachten ook de reeks Privé-domein. Daarvoor maakten we het basisontwerp en de omslagen voordat Kees Kelfkens dat op zich nam. 

Privé-domein reeks, De Arbeiderspers, 1966 / Hans Brak in Helmond, De Arbeiderspers, 1967
Groot gedenkboek van de jaren vijftig, Thomas Rap, 1968

Naast de AP begon ik boeken te ontwerpen voor uitgeverij Thomas Rap: omslagen en het binnenwerk. Rap had een kwajongensachtige chique en het was leuk om met hem te werken omdat we telkens nieuwe boeken verzonnen. Zo ontstond het Groot gedenkboek van de jaren vijftig in 1968, een project met onder anderen auteurs als Jan Donkers, Wim Noordhoek, Guus Luijters en Arend-Jan Heerma van Voss. Zij kwamen bij mij met hun voetbalplaatjes, vakantiefoto’s, 78-toerenplaten, 45-toerenplaten, recensies van wat dan ook, filmsterren en stripboekjes. Kistenvol! Elke zaterdagmiddag maakten we een hoofdstuk met titels als: ‘Het geheim van Kapitein Rob’, ‘Interieur’, ‘Knopendozen’, ‘Bij de radio’ en ‘Teenager in love’. Het was romantiek, avontuur en nostalgie, een echt jongensboek. 

Voor Rap mocht ik ook naar kunstenaars als Pyke Koch, Carel Willink, Co Westerik, Jeroen Henneman en Herman Berserik in het kader van een kunstkaartenproject. Hij had altijd wel een idee en was een vrijbuiter. Zo maakte hij een herdruk van het eerste telefoonboek van Amsterdam, de fotobiografie van Willem Frederik Hermans en met Peter Vos het Beestenkwartet dat ik vormgaf. Ik kreeg toentertijd ongeveer 25 gulden voor een omslag. Leendert Stofbergen werkte ook voor Rap, samen deden we zijn hele fonds. Daarnaast deed ik ook werk voor andere uitgeverijen als Bruna, Ambo, Atheneum en Polak & Van Gennep.

De werksters van half vijf, illustratie Peter Vos, Thomas Rap, 1969

BRS
In 1971 werd ik uitgenodigd door Jan Brinkman en Niko Spelbrink die al met elkaar samenwerkten, om met hen de maatschap Brinkman Ros en Spelbrink (BRS) te gaan vormen. Bij de Arbeiderspers voltrok zich intussen een drama: het bolwerk stortte ineen, onderdelen verdwenen en/of werden verkocht en er vielen talloze ontslagen. De uitgeverij ging zelfstandig verder als literaire uitgeverij in een pand samen met Querido: Singel 262. Ik kon mee, maar besloot met Jan en Niko in zee te gaan en kreeg van de Arbeiderspers een kleine oprotpremie mee, mijn startkapitaal in BRS. We maakten als partners een realistisch contract omdat we ons ook de vraag stelden: Wat doen we als het fout gaat? Alle inkomsten gingen in één pot en die werd door drieën gedeeld. 

v.l.n.r. Guus Ros, Niko Spelbrink, Jan Brinkman, 1971 (foto Robbert Fels)

Ik bleef werken voor vele uitgeverijen – al ging er een aantal failliet – en had min of meer mijn eigen toko binnen het bureau. Ik was goed in typografie, Jan goed in het maken van concepten, en als wij dachten: ‘zo is het prima’, ging Niko nog een tandje verder. Jan en ik waren de rekkelijken, Niko was heel precies, niet altijd even soepel, maar wel iemand die de zaken tot in de puntjes uitzocht. Hij hield lang vast aan zijn visie, maar Jan had Niko op een goede manier in de tang: hij had gezag en dat accepteerde Niko. Jan dacht in grote lijnen, was de strateeg van het bureau. Hij bemoeide zich niet met mijn ontwerpen, was net als de rest een harde werker, nuchter, kon goed relativeren en had het talent om trouw te zijn aan mensen. De sfeer was goed, we waren saamhorig en we hadden wat voor elkaar over.

Als we een offerte maakten en het bedrag tegen het licht hielden, zei Jan dat het 3000 gulden moest kosten, Niko 2000 en ik zat er altijd tussenin. Voor ons is het ook altijd heel vanzelfsprekend geweest om ons in te zetten voor het vak via de vereniging Grafisch Vormgevers Nederland, de GVN, die later opging in de BNO.  

We weigerden ook wel eens een opdracht, zoals die van een fabrikant die ten tijde van de Vietnamoorlog een baggervaartuig had omgebouwd tot wapentuig met een geschutskoepeltje erbovenop. Een schoon geweten en gevoel voor ethiek vonden we belangrijk. Daarnaast kenmerkte BRS zich als bureau door aandacht voor detail. Dat gold niet alleen voor de typografie maar ook voor de omgang met de opdrachtgevers. Toen Dick Houwaart, hoofd voorlichting bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, die zich tot het Joodse geloof had bekeerd, bij ons een afspraak had, serveerden wij hem een geheel koosjere lunch, inclusief bestek en borden. Jaren later zei hij dat het getoonde respect veel voor hem had betekend. Respect was voor ons belangrijk. Geen arrogantie, weten dat je als ontwerper een bijdrage levert aan het eindresultaat, maar wel het overzicht houden. Als ik van een uitgever presentexemplaren van een boek kreeg, vroeg ik de naam van de drukker, bracht hem er een en zei: ‘Bedankt, mooi boek geworden.’ Vakmanschap behoort geëerd te worden.

Vrij Nederland, 1972

Vrij Nederland
In 1972 kreeg ik van Rinus Ferdinandusse en Joop van Tijn de opdracht om opinie-weekblad Vrij Nederland te restylen. De redactie van Vrij Nederland was overigens één van de laatste ploegjes die nog in het vrijwel lege gebouw van de Arbeiderspers vertoefde voordat het werd gesloopt en er een hotel voor in de plaats kwam. VN wilde eigenlijk op het formaat van Time Magazine gaan verschijnen, maar omdat concurrent Elsevier daar lucht van kreeg, bliezen ze dat idee weer af. Het bleef krantenformaat, maar dan net iets smaller. Het VN-logo van Karst Zwart bleef ook gehandhaafd, maar de lay-out onderging een restyling. Ik wilde horizontale witruimtes met daarin de koppen om zo de hiërarchie van de informatie in één oogopslag zichtbaar te maken. Tijdens het uitwerken en implementeren van de nieuwe lay-out lieten we de oude kopletter nog even staan. Want meestal leidt een verandering in een vertrouwd blad tot een stroom van protesten. Die kwamen met de nieuwe kopletter, de Clarendon Elongated. VN werd een heldere informatiedrager.

Ministerie van vormgeving
In 1975 deed Edo Smitshuijzen zijn intrede als partner bij BRS. Niko ging dat jaar in Londen werken, zoals ik een tijdje in Dublin had gewerkt om ergens anders ervaring op te doen. Overigens werd ik door Jan en Niko uit Ierland teruggeroepen: ‘TD wil met ons praten!’ Wij dachten dat Total Design zijn directie wilde uitbreiden, maar meer dan een assistentschap van Wim Crouwel of Ben Bos zat er niet in. Ik kon met een gerust hart terug naar Dublin (zie het boek Oranje & Green. Holland-Ireland Design Connections 1951-2002).

Ministerie van Binnenlandse Zaken huisstijl, 1976. logo BiZa: Jan Brinkman

In 1976 waren we weer allemaal op het thuishonk en een jaar later begonnen we aan onze eerste grote huisstijlopdracht: het ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze megaklus ontstond in samenwerking met de Staatsdrukkerij en -uitgeverij Sdu, onder leiding van Hein van Haaren en met Jelle van der Toorn Vrijthoff, het hoofd van de afdeling vormgeving, als ontwerp- en sparringpartner. De eerste keer dat Hein van Haaren bij BRS op de Prinsengracht kwam en ons feliciteerde met de opdracht, stelde hij voor ons de bewegwijzering te laten ontwerpen en de Sdu de rest. ‘Nee,’ riepen wij in koor, ‘we doen alles fifty-fifty’ en het contract tussen Sdu en BRS werd in lood gegoten en bij ons op het bureau bezorgd.

Margriet Blom werd onze eerste medewerker, speciaal aangetrokken voor het vormgeven van formulieren, die nu eenmaal een wezenlijk onderdeel uitmaken van een huisstijl. Later, in 1982 richtten wij binnen BRS Linea op, een apart bureau voor formulierenontwerp. Na het ministerie van Binnenlandse Zaken kregen wij én de overheid de smaak te pakken en volgden de ministeries van Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat, Justitie en de Belastingdienst. Onder collega-ontwerpers heetten wij in die tijd het Ministerie van Vormgeving. Gelukkig lieten ook semi-overheidsdiensten, dienst-verlenende bedrijven, publieke en culturele sectoren zich niet onbetuigd. We hadden de wind mee en groeiden enorm.  

BankGiroCentrale huisstijl, 1988
Raad voor Cultuur, Advies Cultuurnota 1997-2000, 1997

De opdrachtgevers
Het ministerie van Verkeer en Waterstaat had van Tel Design een prachtig voorstel voor een huisstijl gekregen. De werkgroep huisstijl van het ministerie had het proces echter niet goed ingeschat, want de minister kreeg de voorstellen onvoorbereid en pas heel laat onder ogen, zei: ‘Dat is niet mijn kleur haar!’, en het hele feest ging niet door. Wij mochten een nieuw voorstel doen, maar intussen was er al veel geld uitgegeven. Met BiZa deden we ervaring op in het omgaan met opdrachtgevers uit de overheid. Het is cruciaal dat je belangrijke stappen in het ontwerpproces voorlegt aan de hoogst verantwoordelijke en in gesprek blijft om te zien of de opdrachtsituatie nog steeds helder is.

Het is nu moeilijker dan toen om een relatie op te bouwen met een opdrachtgever, want vaak vertrekken medewerkers van de afdeling communicatie al na korte tijd en is er geen continuïteit in afspraken en beleid. Bovendien zitten er veel meer schijven tussen de eindverantwoordelijke en de ontwerper dan vroeger. Wij hebben er altijd op gelet dat we de medewerkers in een organisatie meekregen, dat ze erbij betrokken raakten en meededen, daar stuurden we echt op aan. Een zaal met secretaresses uitleggen hoe een huisstijl werkt is vaak effectiever dan lunchen met de directie. Op de werkvloer moet het gebeuren.

Consumentenbond, Handboek huisstijl, 1995
Gemeente Eindhoven beeldmerk, 1996

Bij het invoeren van een huisstijl ontstaat er meestal gekrakeel over het visitekaartje: de naam van de directeur is altijd te klein. Bij een fusie, die blijkbaar nog niet echt goed was doorgevoerd, kregen de twee directeuren van de voormalige bedrijven tijdens mijn presentatie van de huisstijl ruzie met elkaar. Ik zei: ‘Ik kom later wel terug als jullie fusie echt rond is.’ Je moet als ontwerper ergens voor durven staan. Een ander voorbeeld is het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten, waarvoor ik een jaarverslag ontwierp. Toen ik het ging presenteren liet de directie erg lang op zich wachten. Ik wilde al weggaan, maar kreeg een lunch aangeboden. Op een gegeven moment hoorde ik dat de heren vrij waren, maar toen ik de kamer binnenkwam zag ik de stoom uit hun oren komen. Terwijl ik mijn voorstellen liet zien, ruzieden de directeuren over mijn hoofd verder en was er totaal geen aandacht voor de ontwerpen. Dus ik zei: ‘Uw vorige bespreking is blijkbaar nog niet afgelopen’ en liep de kamer uit. Er moet aandacht voor je werk zijn, anders is er geen gein aan. Zelfs de directeur van een gerenommeerd cultureel instituut was een keer dusdanig met zijn hoofd bij andere problemen dat hij zijn slechte bui op mij afreageerde. Ik riep dat ik geen garen- en bandwinkeltje had en stapte op. 

Hogeschool van Amsterdam huisstijl, 1993

TNO
Bij TNO mochten we niet aan het logo komen, dat was ontworpen door een van hun ingenieurs en die leefde nog. Een huisstijl ontwikkelen, daar ging het in 1979 om. TNO is een gigantische organisatie, samengesteld uit veel instituten, afdelingen en koninkrijkjes. Eenheid was ver te zoeken. Wij keken van buiten naar binnen en zij van binnen naar buiten. De vraag was: hoe kunnen we de papierwinkel efficiënter maken?

BRS begon een onderzoek. Vanuit het drukwerk kom je automatisch op de problemen binnen de organisatie en met de communicatie. Jan en ik zagen dat afdelingen uit eigen potjes folders lieten drukken, zonder veel benul voor wie of voor wat. De kelder lag vol met dozen ongebruikt drukwerk. Die willekeur en het gebrek aan sturing leidde natuurlijk tot een enorme geldverspilling en we vroegen of we 10.000 gulden van het ontwerpbudget mochten gebruiken voor nader onderzoek en inventarisatie. Dat de communicatie slecht functioneert, moet je bewijzen en laten zien, want de mensen binnen zo’n organisatie denken dat het allemaal heel helder is. We maakten een presentatie, een diabandserie, waarin ook gedeeltes van telefoongesprekken voorkwamen waaruit bleek dat de telefoon telkens anders werd opgenomen, van ‘Met Miep’ tot ‘U spreekt met het directiesecretariaat’. Die aanpak is juist gebleken. De leiding weet vaak zelf niet hoe de organisatie in elkaar steekt, maar zo’n confrontatie kan wel hard aankomen. We hoorden dan ook een tijdje niks meer van TNO. 

Voor BRS was dat de ‘gezond-verstand-aanpak’, maar in feite deden we het werk van een organisatieadviesbureau: alle knelpunten inventariseren, de organisatie in kaart brengen en mensen interviewen: ‘Wat zou jij hier willen verbeteren?’ Het intern reorganiseren is een eerste voorwaarde, daar moet tijd in worden gestoken. Ook belangrijk is het kweken van medestanders binnen de organisatie, het serieus nemen van de behoefte aan verbeteringen van de medewerkers en hen erbij betrekken. Vanzelfsprekend moet je met goede oplossingen komen: de voorstellen die wij deden werden uitgetest en weer teruggekoppeld via feedback.

Open Universiteit 
Een hoogtepunt in mijn leven als ontwerper was de klus voor de Open Universiteit, een instelling die hier in navolging van Engeland in 1983 werd gelanceerd. Ik ontdekte er mijn kwaliteiten en heb er enorm veel van geleerd. Het is ook een echt succes-verhaal. Het begon toen Niko een advertentie van de OU onder ogen kreeg die er niet uitzag, gemaakt door een reclamebureau. Niko riep: ‘Die mensen hebben hulp nodig!’ Wij belden op het juiste moment en werden uitgenodigd voor een gesprek in Heerlen, waar de Open Universiteit in een villa en wat noodgebouwen was gevestigd.

Open Universiteit Nederland huisstijl, 1983. logo OU: Edo Smitshuijzen

Het was een project van pioniers, want het animo van alle betrokkenen voor deze vorm van universitair onderwijs op afstand was enorm. Minister Deetman had het besluit tot de oprichting ervan genomen en Gottfried Leibbrandt, benoemd tot voorzitter van het College van Bestuur, moest het van de grond trekken. De OU betekende tweedekans-onderwijs voor gesjeesde studenten, huisvrouwen en gepensioneerden, kortom voor iedereen die op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo wilde studeren – ‘elke lul een bul’, zoals we wel eens spottend zeiden. We zijn in Engeland gaan kijken hoe zij het hadden aangepakt. Daar werd ook de televisie
(de BBC) ingezet, iets wat hier helaas niet gebeurde en gebeurt, terwijl de kleine uurtjes in de middag of de nacht zo geschikt zouden kunnen zijn voor kennisoverdracht in plaats van rotzooi. 

Het probleem was in eerste instantie: hoe maakt de Open Universiteit zich kenbaar en hoe werf je studenten? Het bestuur dacht aan zo’n 3000 à 4000 studenten. BRS mocht een huisstijl en promotiemateriaal ontwikkelen, met Edo Smitshuijzen als verantwoordelijk partner. Tot vreugde en schrik van ons allen meldden zich maar liefst 60.000 studenten aan! Intussen moest de organisatie-in-wording lesmateriaal en cursussen op touw zetten en zou zij feitelijk een middelgrote uitgever worden, zij het zonder boeken. Op het bureau werd gezegd: Guus weet alles van boeken, dus hij moet die klus maar proberen te klaren. Eén dag in de week bleek al snel niet genoeg en uiteindelijk zat ik zo’n anderhalf jaar in een appartement in Heerlen. Gelukkige bijkomstigheid was dat ik Susan ontmoette die op het projectbureau van de OU werkte. Nadat mijn werk er op zat, ging ze met mij mee naar Amsterdam en werd ze mijn vrouw.

Niemand had enige ervaring met het produceren van lesmateriaal, maar de Open Universiteit beschikte over een afdeling Onderwijskunde die de taak had een didactisch model en een studiemethode te ontwikkelen. Het schriftelijk studiemateriaal was weliswaar verschillend van inhoud, variërend van cultuurwetenschappen, staatsrecht, filmkunde tot scheikunde, maar de wijze waarop mensen studeren was hetzelfde. Het contact tussen student en docent verliep vrijwel uitsluitend via het gedrukte woord en beeld; leren via de computer was er nog niet bij. 

Vanwege de enorme hoeveelheid materiaal adviseerden wij een afdeling vormgeving op te zetten, met mijzelf als waarnemend hoofd totdat die functie door een ander vervuld zou kunnen worden. Zo werkten we samen met de afdeling onderwijskunde (zij wisten niets van typografie en ik niets van onderwijskunde) aan de ontwikkeling van het didactisch model en de toepassing daarvan in adequaat vormgegeven studiemateriaal. Hoe leer je mensen leren, die vraag fascineerde mij. Welke taal gebruik je om de student aan te spreken, hoe breng je de leerstof, inclusief beeldmateriaal over? Voor uitgeverij Malmberg had ik weliswaar schoolboeken vormgegeven, maar dit was andere koek. Om het ingewikkelde traject van het aanbieden en coördineren van beeldmateriaal enigszins te kunnen behappen, namen wij een aparte illustratie-manager in dienst: Ritzo Bloem, een man met een zeer brede algemene ontwikkeling. Door de inzet, het respect en het begrip voor de student en de zorgvuldigheid waarmee de complexe materie werd benaderd, was het een heel bijzonder project. En het medeverantwoordelijk zijn voor studiemateriaal waarmee duizenden studenten aan de slag kunnen, betekende voor mij een waardevolle invulling van mijn ontwerperschap.

Omdat het College vertrouwen had en alles vanuit één concept aangepakt werd, ontstond er ook eenheid. Opdrachtgever en uitvoerder vonden zich in een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarin niet de professor centraal stond maar de student. Reguliere universiteiten waren jaloers op het materiaal van de Open Universiteit. Voor mij persoonlijk betekende het OU-project buiten een grote bevrediging dat ik meer inzicht en kracht ontwikkelde, meer durf en zelfvertrouwen kreeg. 

Akademie Industriële Vormgeving Eindhoven catalogi en affiches eindexamenexposities 1992, 1993, 1994

PTT
Terwijl wij als BRS steeds meer deden voor overheden en overheidsinstellingen, kregen we van de PTT weinig opdrachten. ‘Koning Ootje’ Oxenaar, het hoofd van de Dienst Esthetische Vormgeving, belde mij wel een keer op om een postzegel te maken over Willem van Oranje. ‘Guus, ik wil dat jij die postzegel maakt, maar je moet hem dan wel maken vanuit je socialistische traditie.’ Hij dacht werkelijk dat ik een republikeinse zegel zou maken en wilde de boel via mij stangen. Ik vond dat curieus, maar ik maakte de zegel toch, gewoon volgens de opdrachtomschrijving: ‘het vieren van het Oranje-jaar’.

We hebben twee keer een jaarverslag voor de PTT gemaakt, met Piet Cossée als redacteur/ drukwerkbegeleider en Eddy Posthuma de Boer als fotograaf. Toen BRS in 1983 met Premsela Vonk ging fuseren, belde Oxenaar ons op dat hij langs wilde komen. Wij ontvingen hem met alle egards. Hij zei: ‘Ik ben van mening dat die fusie niet door moet gaan want we hebben al een TD in Nederland.’ Er viel een grote stilte. We hebben hem de deur gewezen, zijn auto aangeduwd en hem een goede reis naar Den Haag gewenst.

PTT Sociaal jaarverslag 1977
PTT postzegel 400ste sterfdag Willem van Oranje, 1984
Rijkspostspaarbank Jaarverslag binnenwerk, 1976

Het bureau
BRS is enorm snel gegroeid. Na de studio op het Prinseneiland (ons eerste pand), waar we zestien medewerkers hadden, verhuisden we naar de Keizersgracht. Ofschoon ik wel wakker lag van zo’n grote aankoop en wij allemaal zuinig waren, zag de bank geen enkel probleem. Er kwam veel werk op ons af, vooral van tal van ministeries en niet in de laatste plaats dankzij het gouden koppel Jan en Edo. Toch is het benul van wat vormgeving nu inhoudelijk betekent voor een organisatie betrekkelijk gering, ook nu nog, als je naar het logo voor de rijksoverheid kijkt dat zich niet voldoende onderscheidt. 

Poetry International Gedichtendagbundels, 2001 t/m 2009

Uiterlijk is tegenwoordig alles, maar die aandacht voor beeld en beeldvorming poetst de inhoud weg. De nuchtere en pragmatische benadering van BRS, waarin de organisatie en de communicatie tegelijk werden aangepakt met het verschijnings-beeld, trok in de jaren zeventig en tachtig misschien niet de aandacht van de media en de designwereld, maar hij werkte wel en had een olievlek-effect binnen de ambtelijke wereld. Met dat organisatorische aspect en door de grote aandacht voor typografie, onderscheidde BRS zich van de andere grote ontwerpbureaus. Intern hielden we de vinger goed aan de pols en bleven we voortdurend met de partners in gesprek over het reilen en zeilen van het bureau. Waar nodig werden veranderingen doorgevoerd en maatregelen getroffen. Gelukkig gaven we elkaar de ruimte en was er weinig jaloezie. We gunden elkaar wat, vulden elkaar goed aan en respecteerden elkaars talenten. Er werd net zolang gepraat totdat we eruit waren en er een oplossing was. 

Guus Ros maakt nu schilderijen en reliëfs (foto Mike Breeuwer)

Dit is het verhaal van Guus Ros als één van de partners van ontwerpbureau BRS (later BRS Premsela Vonk en Eden, nu EdenSpiekermann) dat hij in 2000 verliet. Het is een bewerkte en aangevulde versie van een serie interviews uit 2008 waarbij ook Reynoud Homan, Mark Schalken en Wim Westerveld betrokken waren vanuit de discussiegroep in het kader van het lectoraat van Hugues Boekraad aan de Academie St. Joost/Avans Breda. De interviews met de BRS-partners waren een aanzet tot nader onderzoek naar de vormgeving voor de publieke sector in Nederland.  Guus Ros is nu actief als kunstschilder. 

Auteur: Frederike Huygen, juni 2010
Eindredactie: Sybrand Zijlstra
Portretfoto: Aatjan Renders