Simon den Hartog

Simon den Hartog werd geboren in Bussum, was tijdens de oorlogsjaren veel ziek en zat tijdens de oorlogswinter een jaar op school in Overijssel. Dat was geen goede opmaat voor een vervolgstudie. Hij maakte het laatstejaar van de mulo niet af en ging – zoals dat toen gebruikelijk was – op zoek naar werk. Uit de kaartenbakken van het Arbeidsbureau kwam de functie van jongste bediende bij steendrukkerij de Jong en Co in Hilversum tevoorschijn. ‘Co’, dat was de heer P. Brattinga, die bij het schoolhoofd hoogstpersoonlijk kwam informeren naar de jonge Den Hartog en te horen kreeg dat Simon uit een goed nest kwam. Vooral zijn moeder was een stimulans voor hem, onder andere bij het volgen van pianolessen.

Pieter Brattinga jr. en Simon den Hartog tijdens de opening van de tentoonstelling over steendrukkerij de Jong en Co in het Stedelijk Museum, 1963. Ontwerp logo: Otto Treumann. (foto: Eddy Posthuma de Boer)

Toen Den Hartog in 1950 op zestienjarige leeftijd in dienst trad bij steendrukkerij de Jong en Co was daar nog één steendrukpers in gebruik. Hierop werden de etiketten gedrukt voor dierenvoedingfabrikant Sluis, een grote klant voor de drukkerij, die door directeur Brattinga eenmaal per week bezocht werd om een goed zakelijk contact te onderhouden. Steendrukkerij de Jong stond echter vooral bekend als drukker van affiches. De heer Sleper was er de meesterlithograaf, die de tekeningen en ontwerpen met een grote precisie op steen zette. Sinds de jaren twintig werd er ook met offset gedrukt. Toen Den Hartog begon, stond er nog een Planeta offsetpers uit die tijd waar affiches op werden gedrukt. 

Simon den Hartog deed verschillende klusjes op kantoor. Zijn ervaring groeide, net als de waardering van de directeur. Brattinga, de tweede generatie in het bedrijf, was een deftige heer in driedelig pak, goed voor zijn personeel, dat een tantième ontving als de drukkerij een goede winst had gemaakt. Een ouderwetse VVD-er zoals Den Hartog hem nu schetst. Het bedrijf had een hiërarchische structuur, met drie mensen op kantoor, van wie Den Hartog na verloop van tijd chef de bureau werd. 

Contacten met ontwerpers
De derde generatie Brattinga, Pieter Brattinga jr., kwam een jaar na Den Hartog in de drukkerij. Ter voorbereiding op zijn taak in het bedrijf van zijn vader liep hij onder andere stage bij fotolitho-inrichting Koningsveld in Leiden en drukkerij George Lang in Parijs. De bedoeling was dat hij later zijn vader als directeur zou opvolgen. Brattinga jr. zocht vooral samenwerking met ontwerpers en nam daarmee de draad uit het verleden van de drukkerij op. De Jong en Co had vóór de Tweede Wereldoorlog affiches gedrukt met tekeningen van onder anderen Albert Hahn en Fré Cohen voor de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Na de oorlog kwamen Cor van Velsen en Hans Bolleman regelmatig langs met commercieel werk. Ook Eppo Doeve was een ontwerper en tekenaar die graag bij steendrukkerij de Jong zijn werk liet uitvoeren. Lagen die contacten meer in de sfeer van de VRI (Vereniging van Reclame-ontwerpers en Illustratoren), Pieter Brattinga jr. zocht vooral contact met ontwerpers die lid waren van de GKf (Gebonden Kunstenfederatie). Naast affiches werden bij steendrukkerij de Jong ook boeken, catalogi en verpakkingen gedrukt.

Simon den Hartog werd assistent van Pieter Brattinga jr., die daarmee zijn positie in het bedrijf versterkte. Brattinga jr. deelde zijn kamer met Den Hartog, waardoor deze bij alle besprekingen en activiteiten betrokken was. Den Hartog trok er ook zelf op uit om contacten te leggen. Via het werk voor meubelbedrijf Pastoe ontmoette hij bijvoorbeeld Dick Bruna, met wie steendrukkerij de Jong en Co een jarenlange relatie zou onderhouden. Die relatie leidde jaren later ook tot de oprichting door Pieter Brattinga jr. en Dick Bruna van het bedrijf Mercis BV, dat nog steeds wereldwijd de auteursrechten van de familie Nijntje met succes behartigt.

Pieter Brattinga jr. was ervan overtuigd dat goede vormgeving en bijzondere publicaties van het huis De Jong en Co aanzien en werk zouden opleveren. Hij nam het initiatief tot het invoeren van een eigen bedrijfsstijl, het inrichten van kantine-tentoonstellingen en het uitgeven van de befaamde reeks Kwadraatbladen. Toen Simon den Hartog in 1957 assisteerde bij de uitgave van het kwartaalblad NU I had hij voor het eerst contact met grafisch ontwerper Willem Sandberg, toen directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Op de eerste pagina is een collage van expressestrookjes opgenomen. Het verschil tussen de gedrukte en opgeplakte strookjes is niet te zien.

Kwadraatblad Nu, 1959. Ontwerper/auteur: Willem Sandberg / Kwadraatblad Genesis van een compositie, 1961. Auteur: Bernhard Majorick Ontwerp: Jan Bons

Den Hartog ontwikkelde in deze periode vriendschappen met ontwerpers als Dick Bruna, Ben Bos, Jan van Toorn, Charles Jongejans, Gerard Wernars, Peter Doebele, Will van Sambeek, Jan Slothouber en William Graatsma, Aart Verhoeven en Jacques Peeters. Met Dick Elffers had hij een speciale band. Soms ging het gezin Den Hartog in het weekend mee naar Baarlo, waar Elffers een huisje had. Den Hartog moest dan de uitvoering van een affiche bespreken en zo werd het nuttige met het aangename verenigd. Gesprekken gingen over tentoonstellingen en kunst. 

Affiche Holland Festival, 1959. Ontwerp: Dick Elffers / Affiche De man achter de vormgeving van de PTT, 1960. Ontwerp: Pieter Brattinga

Toen Otto Treumann in 1970 de David Roëllprijs ontving (ter gelegenheid waarvan Paul Mertz een film maakte) vond Treumann de officiële prijsuitreiking maar een kille en deftige bedoening. Den Hartog bedacht een alternatieve uitreiking als verrassing bij hem thuis. Een feestelijk ontvangst met alle vrienden van Otto en Jettie Treumann, die ieder een koffertje met een cadeau meebrachten voor op reis. Er waren vele momenten waarop in huize Den Hartog feest werd gevierd of uitgebreid werd gegeten met ontwerpers en kunstenaars.

Kantinetentoonstellingen en Kwadraatbladen
In 1958 werd de kantine van de drukkerij gemoderniseerd door Kho Liang Ie en Wim Crouwel. De tentoonstellingen die daar sindsdien gehouden werden, kregen volgens Den Hartog ook waardering van drukkers omdat het getoonde werk een relatie had met het vak en met het drukwerk dat zij maakten. Maar de betekenis van de tachtig tentoonstellingen die er tot 1973 gehouden werden, was groter. Inspirator voor Pieter Brattinga jr. en Den Hartog was Willem Sandberg, die de kantinetentoonstellingen een unieke gelegenheid in het Gooi noemde om met de uitdrukkingsvormen van de eigen tijd in aanraking te komen. Tentoonstellingen die zelfs konden rekenen op internationale belangstelling. Zo herinnert Den Hartog zich dat bij de opening van een tentoonstelling grootheden als Max Bill, Gerrit Rietveld, Piet Zwart en J.J.P. Oud aanwezig waren. Jonge beeldhouwers, zondagsschilders, grafici, architecten, experimentele kunstenaars, fotografen en grafisch ontwerpers toonden hun werk en gaven voordrachten. Den Hartog zegt over de invloed van zijn contacten met ontwerpers en kunstenaars: ‘Eigenlijk ben ik wat de kunst betreft opgevoed in de drukkerij.’

Tentoonstelling Typografie Piet Zwart, 1960. Ontwerp tentoonstelling: Wim Crouwel en Otto Treumann

Den Hartog stond ook vaak aan de pers met de ontwerpers of kunstenaars die graag kwamen kijken naar het drukken van hun ontwerpen en dan nog wat aanwijzingen konden geven. Van Jan Bons konden ze niet vet genoeg drukken. Piet Cossee lette op de millimeter op het zetwerk. Soms werden de affiches door de ontwerper rechtstreeks op de zinkplaat getekend. In drukkerskringen werden hier nog wel eens smalende opmerkingen over gemaakt. Hij hoorde dan dat er over de ‘hobbyclub van steendrukkerij de Jong en Co’ werd gesproken. Bij het drukken van affiches ging het meestal om kleine oplagen. Het maken van een proefdruk stond bijna gelijk aan het drukken van de hele oplage. De ontwerper kon aan de pers een kleur corrigeren of soms een andere kleur kiezen. Dat was een mentaliteit van werken die Den Hartog in het hele bedrijf waarborgde. De kwaliteitsnorm lag heel hoog.

Herdenkingsboekje ‘50, 1961. Ontwerp: Gerard Wernars / De verbinding voor de PTT, 1962. Ontwerp: Jurriaan Schrofer

Toen Jurriaan Schrofer het boekje De verbinding voor de PTT maakte – zijn eerste opdracht voor de PTT – wilde hij dat er ongelooflijk zwart gedrukt zou worden. Volgens Den Hartog kwamen ze toen op het idee om met de offsetplaat van de zwarte drukgang ook nog een vernis te drukken. Zo ontstond een intens zwart dat leek op het resultaat van diepdruk. Vanaf dat moment werd die manier om een bijzonder resultaat te bereiken vaker toegepast en door collegadrukkerijen geïmiteerd. ‘Ik leefde me ongelooflijk in in het werk van de ontwerpers en wilde daar in druk zó een vertaling aan geven dat de ontwerpers het goed vonden.’ Dezelfde Schrofer liet met zijn vouwblad over het Rietveldpaviljoen in 1965 zien tot welke kwaliteit de samenwerking tussen de auteur Jan Elburg en de fotografe Violette Cornelius had geleid en daarmee inspireerde hij Pieter Brattinga jr. tot het uitgeven van de Kwadraatbladen van steendrukkerij de Jong en Co. 

Kwadraatblad Schröderhuis 1924, 1963. Auteur: Gerrit Rietveld Ontwerp: Pieter Brattinga / Kwadraatblad New Alphabet, 1967. Ontwerp: Wim Crouwel

In een interview met Dick Bruna over het drukken van een Zwarte Beertjes-affiche vertelde deze dat door vocht het drukwerk niet helemaal sloot, maar dat hem dat niet stoorde. Je moest er met je neus bovenop staan om het te zien. Maar Simon den Hartog belde hem op om langs te komen, want ze gingen het opnieuw drukken. Dick Bruna: ‘Het was hun kwaliteit niet!’ Ook Dick Elffers werd gebeld met de mededeling: ‘Dick, ik denk niet dat wat we nu drukken je bedoeling is. We stoppen en komen je halen.’ Bij het drukken van een boek van het werk van kunstenares Anna Ticho liet Willem Sandberg de beoordeling van de proeven van de kleurenplaten aan Den Hartog over: ‘Dat weet jij veel beter dan ik.’

Hoge kwaliteitseisen
Het drukken van affiches en catalogi voor musea, zoals van het Rijksmuseum, Stedelijk Museum Amsterdam, het Dordrechts Museum, het Rijksmuseum van Oudheden, het Centraal Museum in Utrecht en het Haags Gemeentemuseum stelde steeds hogere eisen aan de kwaliteit. Maar het waren niet alleen musea waarvoor gedrukt werd. De PTT, rederij Van Ommeren en de Nationale Lucifersfabriek in Weert waren grote klanten. In opdracht van Ahrend had Den Hartog drukwerk gemaakt, waarvoor de litho’s met grote precisie door de firma Busag in Bern waren vervaardigd. Toen Benno Wissing de catalogus voor een tentoonstelling over kant in Museum Boijmans Van Beuningen had ontworpen, liepen de litho’s dicht op de pers. Den Hartog besloot een risico te nemen en de litho’s opnieuw te laten maken, deze keer bij Busag in Bern. 

Herdruk van het tijdschrift De Stijl, 1968. Redactie: Ad Petersen Ontwerp: Pieter van Delft Uitgevers: Atheneum, Amsterdam, Bert Bakker, Den Haag en Polak en Van Gennep, Amsterdam

Dit was het begin van een jarenlange samenwerking, in het bijzonder met Peter Gygax, de directeur van het Zwitserse bedrijf. Op basis van deze ervaring besloot Den Hartog een gentlemen’s agreement te sluiten waardoor Busag in Nederland exclusief voor steendrukkerij de Jong en Co zou werken. Busag leverde litho’s voorzien van kleurenstrookjes zodat het drukwerk met een densitometer gecontroleerd kon worden. Den Hartog introduceerde het gebruik van de densitometer in de drukkerij, waar men gewend was het drukwerk met het blote oog te beoordelen. Dat vergde nog wel enige overtuigingskracht. Een eigen fotozetterij heeft steendrukkerij de Jong en Co nooit opgezet. Zetwerk werd dus aangeleverd, maar ook op dat gebied werd naar een grote perfectie gestreefd, die met het zetwerk van een andere Zwitserse partner, de firma Stauffer uit Basel, kon worden bereikt. Deze slaagde erin zetwerk in het Nederlands te leveren waarin nauwelijks fouten voorkwamen, iets wat de toenmalige Nederlandse loonzetterijen hen niet nadeden.

Procuratiehouder
In 1960 vertrok Pieter Brattinga jr. naar Amerika. Willem Sandberg had hem een docentschap bezorgd aan het Pratt Institute in New York. Een paar jaar later keerde hij niet terug bij steendrukkerij de Jong en Co, maar begon zijn eigen ontwerpstudio Form Mediation en de Print Gallery in Amsterdam. Simon den Hartog nam zijn werk bij de drukkerij over. Van de oude heer Brattinga kreeg hij de volle verantwoordelijkheid en ook waardering. Vanuit Amerika zou Brattina jr. blijven adviseren in zaken van esthetisch belang en zich nog bezighouden met de redactie van de Kwadraatbladen, maar de organisatie, het onderhouden van de contacten en de aanpak waren in handen van Den Hartog. Met zijn uitgebreide netwerk van ontwerpers en musea zorgde hij voor continuïteit zonder dat de buitenwereld er iets van merkte. Hij bleef zich ook inzetten om alle medewerkers van de drukkerij te motiveren om in het werk een hoge kwaliteit te bereiken. In 1967 werd Den Hartog benoemd tot procuratiehouder van het bedrijf. Met Nico Knecht, die na zijn militaire-diensttijd door de oude heer Brattinga was gevraagd terug te komen, vormde Den Hartog twintig jaar lang een sterk koppel. Ze hadden maar enkele woorden nodig om het werk samen in goede banen te leiden. 

Nico Knecht, Ed van der Elsken en Simon den Hartog bij de opening van de tentoonstelling Man in Moskou. Foto’s Eddy Posthuma de Boer, 1961(foto: Carel Blazer)

Hoewel Den Hartog niet participeerde in de grafische vakorganisaties had hij wel regelmatig contact met een aantal goede collega’s bij de drukkerijen Spruijt, Rosbeek en Lecturis. Cor Rosbeek kwam bij hem langs om ervaringen uit te wisselen. Met Henk van Stockum van drukkerij Lecturis ontstond een bijzondere band omdat beide drukkerijen gemeenschappelijke klanten hadden, zoals het Van Abbemuseum, Van der Grinten en Armstrong. Er ontstonden zelfs gesprekken over een joint venture tussen beide bedrijven, waarbij ook Lecturis-directeur Van de Westelaken betrokken was. Op het moment dat de oude heer Brattinga hierover benaderd werd, was echter meteen duidelijk dat deze er niets voor voelde.

Initiatiefnemers Paul Mertz, Dick Bruna en Hein van Haaren overhandigen een liber amicorum bij het zestigjarig bestaan van de drukkerij, met bijdragen van 300 binnen- en buitenlandse kunstenaars. Ook op de foto: Simon den Hartog, de heer en mevrouw Brattinga en H.L. Hagen.

Afscheid van de drukkerij
Toen ontwerper Dick Dooijes wegens ziekte zijn functie als directeur van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam niet langer kon uitoefenen, ging men op zoek naar een vervanger. Den Hartog had de advertentie wel gezien, maar had geen moment gedacht dat het iets voor hem zou zijn. Dat veranderde toen hij Charles Jongejans, grafisch ontwerper en docent aan de Rietveld Academie, op bezoek kreeg, die hem zei dat het een goede baan voor hem zou zijn. Den Hartog solliciteerde, maar twijfelde toch nog of hij het wel moest doen. Hij ging te rade bij Willem Sandberg, die als zijn mening gaf: ‘De Rietveld Academie mag blij zijn dat jij directeur wil worden.’ Dat gaf voor hem de doorslag. Bij een kennismaking met een delegatie van de studenten bij hem thuis, constateerden die dat in huize Den Hartog geen Telegraaf werd gelezen. Zo verkreeg hij ook hun steun. 

In 1973 nam hij afscheid van steendrukkerij de Jong en Co. Er kwam geen afscheidsfeest bij de drukkerij, maar er werd een grote advertentie in de Volkskrant geplaatst met als tekst: Bedankt Simon den Hartog. Voor de ontwerpers die met De Jong en Co werkten, was Den Hartog het gezicht van het bedrijf. Zij vierden zijn afscheid bij Aart Verhoeven thuis in Friesland, die een pannenkoekenfeest had georganiseerd. Iedereen was er. 

Bij de Brattinga’s werd Simon den Hartogs vertrek niet begrepen. De functie van directeur was echter door de familie nooit ter sprake gebracht. De oude heer Brattinga wilde adjunct-directeur Hagen en Nico Knecht benoemen als directie, maar de eerste wilde dat niet en vertrok bij het bedrijf. In 1976 overleed de oude heer Brattinga. Nico Knecht werd directeur en gaf vanaf dat moment leiding aan de drukkerij.

Tijdgeest
De overgang van de drukkerij naar de Rietveld Academie was voor Den Hartog enorm, maar hij ervoer hem niet als moeilijk. Hij was veertig jaar oud en had het vertrouwen van een grote groep docenten. ‘En ik kon ook heel goed delegeren. Ik geef mensen graag een grote verantwoordelijkheid en blijf ze daarbij ook ondersteunen.’ Samen met René van der Land en Jan Elders – later met Wouter Fens en Bertje Nieuwenhuijzen – vormde Den Hartog het bestuur van de Rietveld Academie. Ieder met zijn eigen kwaliteiten en inbreng in een hecht team. Niek de Laaf was al jaren adjunct-directeur van de avondschool. In 1992 werd vanuit Den Haag bij de invoering van de nieuwe Wet op het Hoger Onderwijs aan de academies de keuze voorgelegd om hetzij een college van bestuur, hetzij een centrale directie in te stellen. De Rietveld Academie koos voor de eerste bestuursvorm omdat de school dan ook in de HBO-Raad kon meepraten. Simon den Hartog vormde vanaf dat moment samen met René van der Land en Wouter Fens dit college. 

Eindexamenboek 1979. Ontwerp: Koos van der Meer / Samenwerken in Museum Fodor, 1978. Ontwerp: Frank Beekers, Lies Ros en Rob Schröder

Den Hartog stelde na zijn aanstelling meteen een directieoverleg in en zat tevens de coördinatorenvergadering voor. Ook werd hij voorzitter van de Academieraad, waarin studenten en docenten participeerden. ‘Ik kwam vanuit een hiërarchisch bedrijf opeens in een Amsterdams, zeer democratisch instituut, waar de tijdgeest een enorme rol speelde.’ Kort na zijn benoeming moest Den Hartog meteen deelnemen aan het ‘Lochems overleg’ met onderwijsambtenaren. Doodmoe kwam hij thuis van het overleg, waar het hem duizelde van allerlei nieuwe begrippen die vooral betrekking hadden op structuren in het kunstonderwijs en niet over goed of slecht kunstonderwijs. Het was de tijd van de democratiseringsgolf. Studenten voerden actie. De studentenvakbond LSVB had zelfs zijn secretariaat op de Rietveld Academie, waar zij konden gebruikmaken van de drukpers om affiches voor hun acties te maken.

Den Hartog had zich voorgenomen om de afdeling grafisch ontwerpen niet voor te trekken. Hij kreeg te maken met een docentencorps waarin sterke persoonlijkheden zaten als Jan Rietveld, Ab Sok, Wim Brusse, Iep Valkema, Jan van der Vaart, Dirk van Sliedrecht en Charles Jongejans, die binnen de academie elk hun eigen koninkrijkje c.q. fantastische afdeling hadden. In het onderwijs aan de Rietveld Academie liep de lijn door zoals die vanaf 1939 door Mart. Stam aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (in 1968 als eerbetoon omgedoopt tot Gerrit Rietveld Academie) was uitgezet. Geheel volgens de idealen van het Bauhaus ontstonden vanuit de werkplaatsen toegepaste ontwerpen. Het leerplan van de Rietveld Academie – een algemeen basisjaar gevolgd door een specialisatie (grafisch, ruimtelijk of textielontwerpen) was door Gerrit Rietveld in 1967 vertaald in de structuur van het academiegebouw, met werkplaatsen en een open ruimtelijke structuur, waardoor de studenten van de verschillende afdelingen met elkaar geconfronteerd werden. 

Een afdeling schilderen kwam er pas veel later. Kunstschilder Melle was als werkplaatsassistent aangenomen en werd uiteindelijk als docent door het ministerie erkend. En toen docent Tom de Heus met een groepje studenten 8 mm-filmpjes ging maken voor het tv-programma Twee voor Twaalf wilde hij per se dat daarvoor Jos Houweling als docent aangetrokken werd. Bij diens eerste sollicitatiegesprek kreeg Den Hartog twee boeken te zien die Houweling had gemaakt: een met foto’s van onder andere hondendrollen en het Handige jongensboek. Ze zeiden hem niet zoveel, maar ze intrigeerden hem wel. Aan de door Jos Houweling opgerichte afdeling Audiovisuele vormgeving zou deze samen met zijn studenten de meest fantastische projecten realiseren.

Vanaf het begin wilde Den Hartog graag tentoonstellingen en publicaties maken op de Rietveld Academie om de samenhang te bevorderen tussen de afdelingen, die geheel autonoom waren. Hij nam in het leerplan op dat studenten verplicht waren deel te nemen aan de eindexamenexposities en hij begon met het produceren van publicaties die door studenten werden gemaakt, waar ze enorm veel van leerden. Het werden er wel honderd onder zijn directeurschap, de meeste gemaakt in samen-werking met steendrukkerij de Jong en Co. Nico Knecht was altijd bereid om die boeken te drukken en uiteindelijk lukte het Simon den Hartog altijd om met subsidies en inkomsten uit verkoop de rekeningen te voldoen. 

De Rietveld-mentaliteit
Simon den Hartog sprak niet graag in het openbaar, maar bij de eindexamens werd dat wel van hem verwacht. Jurriaan Schrofer, docent op de avondschool, bedacht voor hem om een multidiaprojectie te tonen met eindexamenwerk. Hij hoefde dan alleen maar iets te zeggen bij de overhandiging van het diploma aan de student. Vanaf dat moment namen de afdelingen het op zich om voor de eindexamens iets bijzonders te organiseren. Zo werd er door de docenten voor 350 man gekookt, was er een diplomauitreiking in het Olympisch Stadion of werden de tentoonstelling en diplomauitreiking op een andere bijzondere locatie gehouden. Simon den Hartog: ‘Dat werden allemaal waanzinnige happenings.’ De kracht van de academie was dat de nadruk lag op de individuele ontwikkeling van de studenten, maar de Rietveld Academie was ook een hechte gemeenschap met een grote drift tot het gezamenlijk organiseren van activiteiten. Je kon echt spreken van een Rietveld-mentaliteit. Als docenten en studenten iets wilden dan gebeurde het. Hun inzet was ongeëvenaard. 

Simon den Hartog 50 jaar, Gerrit Rietveld Academie, 1983 (foto: Ron Zijlstra)

Eenmaal per jaar ging Simon den Hartog mee op werkweek met een afdeling. Aanvankelijk werd er niet gereisd, maar dat veranderde onder impuls van Simon den Hartog. Bussen met studenten en docenten trokken naar de Dokumenta in Kassel of gingen naar Parijs of Moskou. Dit kreeg op den duur ook haar weerslag in de populatie van de academie, die een internationaal karakter kreeg. Zo kwam in 1999 45% van de studenten uit het buitenland en volgden veel Rietveld-studenten uitwisselingsprogramma’s in het buitenland.

Vanuit de onderwijswerkgroep van Icograda (International Council of Graphic Design Associations), waarvan Simon den Hartog voorzitter was en Maarten Regouin de Nederlandse afgevaardigde, werd hem gevraagd om voor het gezamenlijke congres van Icograda, ICSID en IFI in 1987 in de RAI een studentenseminar te organiseren. Hij richtte daarvoor de stichting The Other Side Of Design op. Dertig instituten en vierhonderd studenten namen hieraan deel. Daarna zijn er onder dezelfde noemer nog met succes seminars georganiseerd over mode en fotografie.

Tijdens de reorganisatie van het hoger onderwijs in 1986 had het ministerie van Onderwijs & Wetenschappen de academie onder druk gezet om onderdeel te worden van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Met succes bevocht de Rietveld haar onafhankelijkheid. Simon den Hartog geloofde in een kleine en slagvaardige organisatie voor de academie, waarbij de besluitvorming dicht bij de organisatie bleef. In 1990 sprak Simon den Hartog met Daniël Reist, directeur van de Hochschule für Gestaltung in Basel, over het idee om een internationale vereniging van onafhankelijke scholen voor kunstonderwijs op te richten. Dat werd de International Association of Independent Art and Design Schools (AIAS), die werd opgericht in het Bauhaus in Dessau. Op den duur sloten zich hierbij 22 scholen aan. Simon den Hartog stelde tevens voor om verbonden aan de jaarlijkse AIAS-conferentie een werkweek voor studenten en docenten te organiseren, die aan het einde van de conferentie de resultaten zouden tonen. Tot op de dag van vandaag is Els Nieuwenhuis, die op de Rietveld zijn persoonlijke assistent was, nog steeds secretaris-generaal van AIAS.

Afdeling Autonome kunst, Sandberg Instituut, 1993. Jos Houweling, Job Koelewijn, Sacha Bronwasser, Marion van Oyen, Marc de Cloe, Esther Mosselman, Harco Haagsma, Guido van Gennep en Simon den Hartog.

Het Sandberg Instituut
Omdat de Rietveld Academie weigerde te fuseren dreigde de toenmalige minister van Onderwijs, Wim Deetman, geen post-academische opleiding toe te kennen aan de Rietveld en ook het huurcontract van de dependance aan de Generaal de Vetterstraat niet meer te verlengen. Als strategische tegenzet richtte Simon den Hartog op 22 februari 1990 het Sandberg Instituut op, waarvoor Felix Rottenberg de naam aandroeg. Onder deze noemer zouden post-academische workshops worden georganiseerd. De eerste workshop van het Sandberg Instituut werd gegeven door Theo van Gogh en Erwin Olaf. Het evenement ‘Meer dan een’, met een tentoonstelling in het academiegebouw en als eregasten Bruno Danese en Jacqueline Vodos, was een belangrijk eerste moment in de geschiedenis van dit bijzondere instituut. Er werden afdelingen voor autonome kunst, grafische vormgeving en vrije vormgeving opgezet, die een keur aan activiteiten begonnen te ontplooien: workshops, seminars, masterclasses en tentoonstellingen. De eerste hoofden waren Jos Houweling voor autonome kunst, Rob Schröder voor grafisch ontwerpen en Marjan Unger voor vrije vormgeving. Op deze manier had de Rietveld al haar ‘master-opleiding’ nog voordat de tweede fase door het ministerie was opgetuigd!

The Other Side of Design. Mythe of rede, 1988. Ontwerp: Hein Eberson / Young Designers + Industry, 1996. Ontwerp: Stèphanie de Vilder

De kwaliteiten van de activiteiten van het Sandberg Instituut – zoals Young Designers + Industry, de Aanmoedigingsprijsprijs Amstelveen, de tentoonstelling met de VES (Vereniging van Edelsmeden en Sieraadontwerpers) in de nieuwe vleugel van het Stedelijk Museum en de Sandberg-uitgaven – overtuigden. Een meerderheid van de commissie die in 1993 moest besluiten over de toekenning van de post-academische opleidingen vond dat men niet om de Rietveld Academie heen kon, ondanks dat ze niet de gevraagde offerte had gemaakt. 

Bij het 75-jarig bestaan van de Rietveld Academie in 1999 zou Simon den Hartog al met pensioen zijn gegaan, ware het niet dat hij dit nog een jaar kon uitstellen. Dat jaar kon hij zich volledig richten op zijn plan voor de viering van het jubileum: het evenement Park of the Future met daaraan gekoppeld zijn afscheid van de academie en AIAS. Met 792 deelnemers uit achttien landen werd van 12 tot en met 18 april 1999 in de Amsterdamse Westergasfabriek ‘het park van de toekomst’ geschetst in lezingen, werkbesprekingen, discussies, filmvoorstellingen, excursies en dagkranten. Bij dit hoogtepunt nam Simon den Hartog afscheid. Er verscheen een boekje over 75 jaar Gerrit Rietveld Academie met in het voorwoord de mededeling dat de opvolger van Simon den Hartog dit uit zijn hoofd moest leren.

Park of the Future, 1999. Ontwerp: Kathrin Hero / De wereld moe(s)t anders, 1999. Auteurs: Leonie ten Duis en Annelies Haase. Ontwerp: Roger Willems

En daarna
Als bestuurlid van de Jan van Eyck Akademie werd Simon den Hartog tweemaal gevraagd daar als interim-directeur op te treden bij een directiewisseling. Beide keren had hij een nauwe samenwerking met adjunct-directeur Laurens Schumacher. In 1990 ging hij niet alleen op het huis passen, maar zette hij tevens de lijnen uit voor een toekomstig beleid, overtuigd van de opvatting dat grafische vormgeving en beeldende kunst niet los van elkaar gezien mogen worden. In 1999 gaf hij zijn visie mee in het beleidsplan 2001-2004 over het belang van dit onderzoeksinstituut voor beeldende kunst, ontwerpen en theorie. Ook daarin benadrukte hij het belang van deelname aan internationale netwerken en contacten. 

Zijn belangstelling voor het vak grafisch ontwerpen is er nog steeds, maar die voor de beeldende kunst heeft een steeds grotere betekenis in zijn leven gekregen. Het was heel bijzonder dat er een functie van ‘supervisor voor beeldende kunst’ werd gecreëerd door Robert Dijckmeester, directeur Zuidas Amsterdam. Simon den Hartog werd gevraagd die functie te vervullen. Als zodanig heeft hij de laatste tien jaar leiding gegeven aan een door hem ingestelde programmaraad, die bestaat uit Meinke Horn, Harry J. Kraaij, Marina de Vries en Henk de Vroom. Samen met hen heeft hij aan een heel intensief beeldende-kunstprogamma gewerkt, dat niet alleen zichtbaar werd door kunst in de gebouwde omgeving, maar ook door tijdelijke projecten, tentoonstellingen in de KunstKapel, het enorme beeldscherm bij station Amsterdam-Zuid, artists-in-residence, het fotoproject Virtuele Zoom en de uitgave van de Virtueel Museum Zuidas-krant.

10KV-elektriciteitsstation van Liander en onderstation Amsterdam RAI van Prorail 2009. Kunstenaar: Krijn de Koning (foto: Krijn de Koning)

Auteur: Titus Yocarini, december 2010
Eindredactie: Sybrand Zijlstra
Portretfoto: Aatjan Renders