Daphne van Peski

Heart Beat uit 2006 is het laatste boek dat Daphne ontwierp. Een opdracht van een vriend die ook in Vreeland woont en die ze in 1985 leerde kennen bij zijn tentoonstelling in Groningen, de kunstenaar Carel Balth. ‘Iedere keer als er een catalogus gemaakt moest worden gingen we samen aan de slag. Met mijn 65e levensjaar leek er ook een eind gekomen aan de stroom opdrachten die ik daarvoor had. We zaten toen al veel in Frankrijk. Nu gaat alle aandacht naar het huis dat ik met mijn man Fred Ros, ook een grafisch ontwerper, in Villecroze bij Salernes liet bouwen. Een strak en modern ontwerp van de jonge Belgische architect Grégoire Semal, die we heel toevallig ontdekten in die buurt. Hij had het huis van zijn vader ontworpen, waarvan de bijzondere raampartijen ons opvielen. We hebben het huis Villa Olea genoemd naar de honderd olijfbomen op ons terrein die ons de komende jaren actief zullen houden.’

Affiche Afscheid van Boijmans Van Beuningen 1978 – 1986 (vlnr Daphne, Marcel Speller, Reynoud Homan)

Daphne van Peski werd in 1942 in Genève geboren en werd in haar eerste levensjaren Franstalig opgevoed. Haar achternaam heeft zij van haar moeder. Deze is afgeleid van Pestchansky, een familienaam uit West-Rusland die teruggaat tot de zeventiende eeuw. Onder haar meisjesnaam heeft zij echter nooit gewerkt. De secretaresse bij Total Design had haar al als Daphne Duijvelshoff op het briefpapier van Total Design opgenomen toen ze daar begon te werken, en zo is het gebleven. 

De eerste zes jaar van haar leven woonde ze met haar moeder Ingrid van Peski in Ascona (Zuid-Zwitserland), met allemaal jonge mensen vol idealen. Het was een hele vriendenclub daar op de berg Monte Verita. Uit een vriendschap met een student architectuur werd Daphne geboren. ‘Ik heb mijn vader pas rond mijn veertigste voor het eerst ontmoet. Een schat van een man, die ik regelmatig opzocht en heel goed heb leren kennen.’ Godi Cordes had een architectenbureau in het Zwitserse Zug. Hij vond het ontzettend leuk dat hij een dochter had die met een vak bezig was dat hem ook interesseerde. ‘We bleken veel raakvlakken te hebben.’

Na die eerste zes levensjaren in Zwitserland vond haar moeder het beter om de opvoeding van Daphne in Nederland voort te zetten. Zo kwam Daphne vlak na de Tweede Wereldoorlog in Nederland terecht, in Sassenheim. Een groter contrast met de Monte Verita was nauwelijks denkbaar. ‘Mijn moeder was een enig mens. Zij is altijd blijven schilderen en had in Sassenheim een groot atelier, waar witte duiven rondvlogen.’ De Montessori-school in Oegstgeest was voor Daphne geen succes. De dorpsschool in Sassenheim met gewoon klassikaal onderwijs gaf haar de structuur die ze nodig had. Ze leerde binnen drie maanden Nederlands en paste zich makkelijk aan, zowel aan het leven op school als aan het leven in Nederland. Thuis sprak haar moeder nog wel Frans met Daphne, maar dat werd pas weer bijgespijkerd toen ze op haar negende voor een paar maanden naar Zwitserland werd gestuurd. Daar heeft zij later veel plezier van gehad toen ze voor Total Design als contactpersoon/vertaalster voor Franse opdrachtgevers optrad.

Ze zat kort op de middelbare meisjesschool in Driebergen en ging vervolgens naar de Internationale Quaker School in kasteel Beverweerd bij Werkhoven. Dirk Jan van Haren Noman, die later mededirecteur van Total Design zou worden, was een schoolgenoot van Daphne. Vooral de vrije vakken, zoals tekenen en kunstgeschiedenis, gaven richting aan haar keuze om in 1961 toelatingsexamen te doen voor de kunstnijverheidsschool in Amsterdam. Met een map werk dat ze op de Quaker School gemaakt had, werd ze aangenomen. Daar vond ze na het voorbereidende jaar haar draai in het tweede jaar grafisch algemeen. In het derde jaar volgde ze typografie, dat zich afspeelde tussen de letterkasten, waar Charles Jongejans en Melle Oldeboerrigter de studenten leerden met loden letters te zetten en vooral goed te spatiëren. Maar de levenslessen die beide docenten aan hun studenten meegaven, waren misschien wel het allerbelangrijkst.

Na de academie kreeg Daphne via via haar eerste opdracht: een jubileumboek ter gelegenheid van vijftig jaar Landbouwhogeschool Wageningen. ‘Een opdracht die ik helemaal niet aankon.’  Uiteindelijk verscheen het boek en was Daphne een ervaring als zelfstandig ontwerpster rijker. ‘Op de kunstnijverheidsschool wilde ik al bij Total Design gaan werken. Direct na mijn eindexamen solliciteerde ik er en mocht ik op gesprek komen bij Wim Crouwel.’ Daphne kreeg de baan niet, omdat Total Design geen mensen aannam die geen werk-ervaring hadden.  ‘Je komt van de kunstnijverheidsschool af en dan moet je je voorbereiden op gesprekken met opdrachtgevers. Dat waren dingen die je helemaal niet meegekregen had in het onderwijs. Die leerde je in de praktijk.’ 

Via buurman en vriend Jan Holsbergen kreeg ze een baan bij Studio DDM (Douwes, Douwes & Meijer). ‘Gekscherend heb ik het wel eens over afvalbakken legen en koffiezetten gehad bij de gebroeders Douwes, waar verpakkingen werden ontworpen, onder andere voor tulpenbollen. Mijn allereerste opdracht was de bedrukking voor een luciferdoosje. Ik heb anderhalf jaar bij die studio gewerkt.’

Een jaar later, in 1968, lukte het haar wel om bij Total Design aan de slag te gaan en zo kwam Daphne in het team van Ben Bos te werken. ‘Ben is een geboren docent. Je kreeg kleine opdrachtjes en Ben keek over je schouder mee. Niet echt ontspannen, wel leerzaam.’ Daphne ervoer de eerste tijd in het team van Ben als een voortzetting van het kunst-onderwijs, maar dan in de praktijk. ‘Ik kon het niet beter treffen. Ik ben blij dat ik eerste bij Ben in zijn team heb gezeten en pas daarna bij Wim kwam te werken.’

Het team van Ben Bos werkte onder andere voor uitzendreus Randstad. Dat gebeurde aan de hand van een huisstijlmanual waarin alles was vastgelegd.  ‘Toen Ben Bos een jaar lang voor de Gruyter een nieuwe huisstijl ging ontwikkelen, kon hij zich dat jaar weinig met de opdrachten voor Randstad bemoeien. Dat is voor mij een opleving geweest. Ik moest toen zelf bij Randstad de gesprekken gaan voeren en kreeg daar souplesse in. Ik mocht voor de Nederlandse Kunststichting (NKS) een boekje ontwerpen. Daarbij heeft Ben me vrijgelaten.’ Zo ontstond een direct en blijvend contact met de NKS en zijn directeur Henk Visser.

Wim Crouwel & Daphne, 1977, foto Tjeert Frederikse

Toen Ben Bos weer volledig zijn aandacht kon geven aan zijn team, kwam Daphne tot de conclusie dat ze daar niet langer wilde blijven en weg wilde bij Total Design. Dat kwam Wim Crouwel ter ore en hij vroeg haar voor zijn team. Er werden toen door Total Design nogal wat catalogi voor het Stedelijk Museum in Amsterdam gemaakt. Daphne ging daar meteen voor werken. Formaat, grid en letter, de Univers, waren een gegeven, maar binnen die afspraken was de ontwerpruimte breed.

‘Ik voelde mij daar toen heel senang bij. Ik was eind twintig. Wim nam mij overal mee naartoe en introduceerde mij bij het Stedelijk Museum. Dat was heel verstandig van hem, want hij was toen ook hoogleraar in Delft en kon niet alles zelf uitwerken.’ Vanaf 1972 werkte Daphne behalve voor het Stedelijk Museum Amsterdam ook aan de serie Nederlandse Architectuur-uitgaven, de herinrichting van het oude Groninger Museum, voor de Nederlandse Kunststichting en het Holland Festival. ‘Wim was genereus, ik kreeg de ruimte om me verder te ontwikkelen.’ Daphne werd dat jaar ook lid van de beroepsvereniging Grafisch Vormgevers Nederland, de GVN. 

Catalogus Wirkala, 1976, Stedelijk Museum Amsterdam (ism Wim Crouwel) 
Catalogus Werkman en Catalogus Rietveld, 1977, Stedelijk Museum Amsterdam (ism Wim Crouwel)

Een redelijk grote klant was de Peter Stuyvesant Stichting van tabaksfabrikant Alexander Orlow. Wim Crouwel kreeg regelmatig opdracht voor het verhangen van de kunstwerken in het hoofdkantoor van Turmac in Amsterdam en in de sigaretten-fabriek in Zevenaar. ‘Toen Wim een keer geen tijd had, vroeg hij mij een voorstel te maken. Hij heeft dat toen globaal bekeken en goed gevonden. Toen hij daarmee naar Orlow ging zag die meteen dat Wim het niet gemaakt kon hebben. Ik had een sleutelwerk op de verkeerde plek gehangen. Dat zou Wim Crouwel nooit gedaan hebben. Wim gaf dat toe en zei dat hij geen tijd had gehad er serieus naar ging kijken. Daar heeft hij zich toen goed uitgered. Dat kon hij wel.’

In de jaren zestig verwierf Total Design een positie als het grootste ontwerpbureau van Nederland, maar begin jaren zeventig kwam er steeds meer concurrentie van gelijksoortige bureaus, zoals Teldesign uit Den Haag. Daar werkte toen Gert Dumbar, wiens werk vrijer en kleurrijker was tegenover de strakke, principiële benadering van Total Design. ‘Ik weet zeker dat het in TD heeft meegespeeld bij de beslissing ontwerpers met andere opvattingen over het vak binnen te halen. In 1976 kwam eerst Jurriaan Schrofer. Ook Anthon Beeke werd binnengehaald. Die heeft TD echt wakker geschud. Hij ging volstrekt zijn eigen gang. Sommige collega’s hadden daar grote moeite mee. Anthon kwam vaak binnen op TD als wij alweer naar huis gingen, te late presentaties… Maar als het er was dan was het er ook, en hoe! Ik heb met hem in 1977 samengewerkt voor het Holland Festival. Hij en Wim Crouwel maakten de affiches en ik de catalogus. Het was een leuke tijd toen Anthon er was. Een geweldige ontwerper. Ik mag hem graag.’

Catalogus Michael Snow, 1979, Museum Boijmans Van Beuningen
Nederlandse Architectuur Americana, 1977, Stichting Architectuur Museum / Catalogus Hongaarse konstruktivistische kunst, 1977, NKS 

Dit kon echter niet verhinderen dat Total Design door criticasters gezien werd als de belangrijkste vertegenwoordiger van een te dogmatische ontwerpvatting, waarvan de esthetische voorkeuren werden opgedrongen aan het publiek.  ‘Ik was het niet eens met dat verzet tegen TD als “geloof” door Piet Schreuders, die in 1977 op de Rietveld Academie als verzetsdaad een affiche van Wim Crouwel verscheurde. Ik was daar bij en was geschokt. Zoiets doe je niet met andermans werk. Later verschenen de stukken van Renate Rubenstein, die in in Vrij Nederland over “de nieuwe lelijkheid” schreef, over de vormgeving van de nieuwe telefoonboeken. Ik was het niet met haar eens. Natuurlijk werd daar binnen TD over gesproken. We hadden echter heel verschillende teams binnen TD. Er werd van buiten nog erg alleen naar Wim Crouwel gekeken, maar het palet was veel breder geworden met Anthon Beeke en Paul Mijksenaar. Misschien had die uitbreiding met andere ontwerpers veel eerder moeten gebeuren.’

In 1978 vroeg de Dienst voor Esthetische Vormgeving (DEV) van de PTT Daphne twee van de vier Zomerzegels te ontwerpen. Zij verbeeldde twee bijzondere vrouwen: Anna Maria van Schuurman en Belle van Zuylen. Op de postzegel voor Belle van Zuylen plaatste zij het citaat Ik heb geen talent voor onderdanigheid. Dit werd door de heer Lehman, directeur-generaal van de PTT, afgekeurd omdat een jaar eerder al het jaar van de vrouw als thema was geweest. Daphne kwam met een ander citaat: Lezen en schrijven verandert werkelijk het bestaan van de mens. Dat werd ter plekke goedgekeurd, maar Daphne was te overdonderd om haar eerste keuze te blijven verdedigen. Volgens Ootje Oxenaar, hoofd van de DEV, had ze haar mond moeten houden, zoals hij diplomatiek gedaan had.

Zomerzegels, Anna Maria van Schuurman en Belle van Zuylen, 1978, DEV-PTT    

Een opdracht van Stichting Amazone belandde binnen Total Design automatisch bij Daphne. Via Amazone kwam ze ook in de vrouwenbeweging terecht. ‘Ik heb me daar ook wel eens geërgerd. Ik hield me staande in een mannenwereld. Soms zitten de zaken genuanceerder in elkaar. Het is wel heel gemakkelijk om tegen die mannenwereld aan te schoppen onder het motto: Ze geven ons geen kans. Dat is onzin.’

Collega Jolijn van de Wouw had al haar eigen team bij Total Design toen Daphne nog in het team van Ben Bos werkte. Daphne had groot respect voor Jolijn en dat was wederzijds.  Na zeven jaar in het team van Wim Crouwel kreeg ook Daphne in 1979 haar eigen team. Hans van der Kooi ging met haar mee.  ‘Het is aan Wim Crouwel te danken dat er twee keer een vrouw uit zijn team de mogelijkheid kreeg om een eigen team te vormen.’  Vanuit de directie steunde Loek van de Sande dat ook. Hij was na de opheffing van de Stichting voor Industriële Vormgeving en na het vertrek van Paul en Dick Schwarz (medeoprichters van Total Design) tot de directie van Total Design toegetreden. 

De aanleiding om Daphne haar eigen team te geven was dat Wim Crouwel vond dat hij niet tegelijk én voor Museum Boijmans Van Beuningen, waar Wim Beeren net directeur was geworden, én voor het Stedelijk Museum in Amsterdam kon werken. ‘De oplossing lag voor de hand. Bij wijze van proef maakte ik in 1978 de aanwinstencatalogus van Boijmans Van Beuningen over de periode Ebbinge Wubbe en Hammacher.’  Daphne hield daarna op te werken voor het Stedelijk Museum en er ontstond een jarenlange en uitstekende samenwerking met Wim Beeren. Hij werd haar dierbaarste opdrachtgever en een die haar altijd scherp hield. 

Affiche Actie, werkelijkheid en fictie in de kunst van de jaren ’60 in Nederland, 1979, Museum Boijmans Van Beuningen / Krant Beuys in Boymans, 1980, Museum Boijmans Van Beuningen (ism Hans van der Kooi)

Actie, werkelijkheid en fictie in de kunst van de jaren ’60 in Nederland was de eerste grote tentoonstelling, waarvoor Daphne de catalogus en het grafische deel van de tentoonstelling ontwierp. Dat was ook het begin van een langdurige samenwerking met Marijke van der Wijst, die op advies van Martin Visser de ruimtelijke inrichting deed. ‘Marijke en ik hebben heel duidelijk onze opdrachten afgebakend. We bespraken wel het werk van elkaar, maar traden niet op elkaars terrein. Natuurlijk beïnvloedden we elkaar wel. We werden hele goede vriendinnen.’

Daphne werkte ook heel intensief samen met Frits Becht, voor Intomart en voor zijn kunstcollectie, met Jacques Stienstra, directeur van Brabants Vastgoed ‘Soetelieve’, en met Vincent Eijsvoogel, directeur van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst (CLB). ‘Allemaal uitgesproken persoonlijkheden. Mensen die heel goed weten wat ze willen. Ze tarten je, lokken je uit je tent. Het kan beter. Je ergert je wel, maar je ziet het resultaat. Dat weerwerk is goed.’

Bij haar afscheid van Total Design verwoordde Daphne de samenwerking met Vincent Eijsvoogel als volgt: ‘Niets is zo stimulerend als een kritische en openhartige opdrachtgever die de ontwerper steeds weer aanzet en uitdaagt tot de toppen van zijn creatieve vermogens’. Zij sprak hier mede namens het team, dat voor het CLB bestond uit Reynoud Homan en Marion van der Lee (daarnaast werkten onder anderen ook Hans Booms en Marcel Speller bij Total Design in haar team).

‘Toen ik mijn eigen team kreeg, ging Jurriaan Schrofer naar Arnhem, waar hij directeur werd van de academie voor beeldende kunsten. Ik nam zijn opdrachtgevers over. Wij gingen een tijdje samen op pad. Het waren echter opdrachtgevers die echt voor Jurriaan hadden gekozen. Die contacten hielden na enige tijd op. Dat was typisch voor TD. Als er vrij neutrale opdrachten binnenkwamen dan werd er gekeken wie er tijd had en bij wie de opdracht het beste paste, maar er kwamen ook opdrachten op de persoon van de ontwerper binnen.’

Nadat Daphne na een paar jaar met haar eigen team bewezen had opdrachten te kunnen generen, uren te schrijven en de kassa te laten rinkelen, werd ze in 1980 adjunct-directeur binnen de vijfkoppige directie en kreeg personeelszaken in haar portefeuille. ‘Ik had me al ontfermd over het stagebeleid, waar ik een groot voorstander van was, een onderdeel van de opleiding dat ik zelf zo gemist heb.’  In hetzelfde jaar ging Daphne pro deo voor SAAM werken, de stichting Steun Aan de Argentijnse Moeders.
In deze periode kreeg Total Design ook te maken met een totaal andere benadering van het vak via het werk van jonge ontwerpbureaus als Wild Plakken en Hard Werken.  ‘Ik vond de jongens van Hard Werken goede ontwerpers, maar ook heel leuk als collega’s. Ik bewonderde hun manier van benaderen, zo expressief. Soms voor mijn gevoel op het brute af, maar heel spannend. Het fascineerde me zeker en zette alles op z’n kop.’

Platenhoes Dwaze Moeders van het Plein, 1986 SAAM

In 1983 werd een overzicht van het werk van Total Design in De Beyerd in Breda getoond, onder de titel 20 years design: Total Design. Daphne maakte deel uit van de redactie en nodigde SAAM-voorzitster Liesbeth den Uyl uit de tentoonstelling te openen. Kees Broos schreef de catalogustekst, waarin ook een apart hoofdstuk is gewijd aan de discussies en de kritiek die Total Design met zijn uitgesproken opvattingen over het vak opriep.

Affiche Man Ray, 1982, Museum Boijmans Van Beuningen
Affiche Frank Stella, 1988, Stedelijk Museum Amsterdam

Loek van de Sande haalde halverwege de jaren tachtig enkele grote projecten binnen, zoals de bewegwijzering voor het hoofdkantoor van de Hongkong and Shanghai Banking Corporation in Hong Kong, ontworpen door Norman Foster. Ook de opdracht voor de huisstijl, bewegwijzering en inrichting van Parc de la Villette in Parijs heeft hij geëntameerd. ‘Bij de opdracht voor Parc de la Villette in Parijs werd meerdere TD ontwerpers gevraagd een voorstel te doen. We hebben toen ook Ben (Duijvelshoff) erbij gehaald. Alle voorstellen werden op TD getoond. Wim Crouwel heeft uiteindelijk de keuze op die van Ben laten vallen. Dat was ontzettend leuk. Ben is jarenlang etaleur en art-director bij de Bijenkorf geweest, dat ruimtelijk denken herken je in zijn werk. Hij was altijd met ingenieuze constructies bezig. Uiteindelijk kreeg Grapus de huisstijlopdracht en TD de opdracht voor de bewegwijzering.’

Daphne en Loek van de Sande presenteerden samen het voorstel in Parijs, waarbij opnieuw haar beheersing van het Frans van pas kwam. Ook voor het museum voor hedendaagse kunst CAPC in Bordeaux heeft Daphne de basis gelegd voor de grafische vormgeving en later ook de bewegwijzering verzorgd. De eerste besprekingen daar-voor voerde zij samen met Loek van de Sande. ‘Loek was een echte gangmaker. Hij kon mensen enthousiasmeren, maar uitwerken tot achter de komma lag hem minder.’

Layoutschets en catalogusomslag Joel Shapiro, 1985, Stedelijk Museum Amsterdam

Daphne legde in de tijd dat ze voor Boijmans Van Beuningen werkte aan de kunstenaar Walter de Maria haar voorstel voor om een oblong boek te maken over zijn werk, met foto’s van onder andere Lighting Field, en kreeg direct zijn instemming. Daarmee week zij af van het eerdere idee van De Maria en Beeren om er een kalender van te maken. Te Pirelli-achtig naar haar oordeel.

In opdracht van het Stedelijk Museum, waar Wim Beeren inmiddels directeur was, bezocht Daphne in 1986 Keith Haring in zijn atelier in New York om over het ontwerp van zijn catalogus voor het Stedelijk Museum te praten. Die catalogus, eveneens in oblong formaat, werd bekroond als een van 50 Best Verzorgde Boeken door de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB). In datzelfde jaar werd ook de door haar ontworpen catalogus van het werk van Anselm Kiefer bekroond. Daarover was in de jury nogal wat discussie. Vooral de ‘overdadige’ en ‘trendy’ vormgeving werd door een deel van de jury niet gewaardeerd. ‘Over een ding waren ze het wél eens. De tijd, hoe kort geleden ook, dat Wim Crouwel zijn stempel op de vormgeving van het Stedelijk Museum drukte, lag ver achter ons.’ Er volgden nog vele bekroningen van haar werk bij de 50 Best Verzorgde Boeken en een bronzen medaille voor het boek Industrie & Vormgeving bij Die schönste Bücher der Welt in Leipzig in 1986.

Affiche Anselm Kiefer, 1987 en Affiche Kazimir Malevich, 1989, Stedelijk Museum Amsterdam
Uit de Collectie, 1989 – 1996, Stedelijk Museum Amsterdam

Een nieuwe tijd brak aan toen Total Design ging verhuizen van de Herengracht naar een voormalig pakhuis aan de Van Diemenstraat. Daphne had helpen zoeken naar een nieuwe locatie. Architect Koen van Velsen kreeg de opdracht het bureau in te richten. ‘Dat ging een kant uit waar ik het niet mee eens was. De ontwerpers werden midden in die ruimte gezet zonder ramen. Je moest de trap opklimmen om naar buiten te kunnen kijken, terwijl de directie in de mooiste kamers zat, met uitzicht over het IJ. Ik zou een andere, socialere keuze hebben gemaakt.’ Als adjunct-directeur had Daphne minder bevoegdheden dan de overige directieleden, die alle belangrijke beslissingen namen. Om die reden wilde ze graag tot volwaardig directielid benoemd worden. Toen die wens niet werd gehonoreerd nam ze het besluit Total Design te verlaten. ‘Ik heb toen zonder enige rancune besloten weg te gaan. Ik was er aan toe iets heel anders te gaan doen. 

Samen met Ben Duijvelshoff begon ze in 1987 een nieuw bureau, in hun huis in Vreeland. De nieuwe aanbouw, die eigenlijk bedoeld was als keuken, werd de studio. Een aantal belangrijke opdrachtgevers ging met haar mee, onder wie Wim Beeren van het Stedelijk Museum en Jan Lodeizen van Openbaar Kunstbezit en de Peter Stuyvesant Stichting. Zij kozen bewust voor voortzetting van de samenwerking met Daphne. 

In 1988 werd Openbaar Kunstbezit overgenomen door de Staatsdrukkerij en -uitgeverij (Sdu) en zo kreeg Daphne de opdracht om de serie monografieën over Nederlandse kunstenaars voort te zetten, waarvan de eerste drie delen onder haar hoede bij Total Design waren gemaakt. Ze stapte op verzoek van de Sdu af van de strakke, grijze omslagen en ontwierp juist heel kleurrijke omslagen, met een werk van de kunstenaar erin verwerkt. Datzelfde jaar kreeg Daphne een tentoonstelling met recent werk in Museum Waterland in Purmerend. In een bespreking van die tentoonstelling werd gerefereerd aan het functionalisme van Total Design, maar Daphne werd aangeduid als een grafisch ontwerpster van het minder strenge soort. Wat in haar werk opviel, was de nauwe betrokkenheid bij de kunstenaars voor wie zij catalogi en affiches ontwierp. 

Haamstede 1993, vlnr staand: Stella Schultze, Joke van der Heyden, Anthon Beeke, Maartje van der Sande, Loek van der Sande, Rini Dippel, Wim Beeren, Lidewij Edelkoort, Jette van der Sande, Martin Visser, Marijke van der Wijst, zittend: Ben Duijvelshoff, Kor Bedee, Daphne, Dorine Mignot, Maarten Bertheux, foto Wilma Bertheux

Als voorzitter van de sectie zelfstandige ontwerpers van de beroepsvereniging Nederlandse Ontwerpers (bNO) sprak Daphne zich in een interview in 1991 uit over de positie van de zelfstandige ontwerper. De bNO bracht toen een rapport uit met de uitkomsten van een onderzoek dat de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO) van de Universiteit van Amsterdam had uitgevoerd. In dat interview spreekt ze over haar ervaringen: ‘Iedereen leert door schade en schande. In commercieel-financiële zin. Ja, natuurlijk ook bij bureaus. Je gaat gegarandeerd een keertje plat op je bek. Dat heb je dan weer geleerd. Alleen, als je bij een bureau zit, dan is er altijd weer die gemeenschap die als het ware een arm om je heen slaat, ook de financiële zorg voor je draagt.’

Ben Duijvelshoff assisteerde Daphne bij de opdrachten van het Stedelijk Museum. Zo gingen ze samen naar Leningrad om de voortgang van de Malevich-catalogus te bespreken. Ben had een heel andere manier van werken dan Daphne. Bij zijn opdrachten wachtte hij altijd tot het laatste moment en kwam dan met een briljant idee, terwijl Daphne heel geordend het ontwerpproces inging, de omvang van een catalogus berekende en een dummy schetste waarin de gehele lay-out al vorm kreeg. Met zijn tweeën in één ruimte was dan ook geen succes, maar dat werd snel opgelost. Ben ging gewoon in een andere ruimte werken.  In 2002 kwam Ben Duijvelshoff te overlijden.

Monografie Bas Jan Ader, 1988, SDU uitgeverij / Openbaar kunstbezit / Catalogus Agnes Martin, 1991, Stedelijk Museum Amsterdam / Catalogus André Volten, 1996,
Wilhelm Lehmbruck Museum Duisburg
Catalogus Einde Eeuw – Tableau Vivant, Pulchri Prijs 1997 NMB-Amstelland  / Interviews Oud Worden Hoe Doe Je Dat, Kor Bedee 2003, Papieren Tijger / Oeuvrecatalogus Jaap Hillenius, 2004, Ludion Amsterdam

In de periode als zelfstandig ontwerper behoorden tot haar opdrachtgevers, naast de eerder genoemde namen, ook het Prins Bernhard Fonds, het Noordbrabants Museum, het Haags Gemeentemuseum, de uitgeverijen Gottmer, Meulenhoff en Waanders, Ontwerpgroep Trude Hooykaas, Stichting Art to Artisans, Beeldrijk en het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties. Als zelfstandig ontwerper kon Daphne meer tijd besteden aan opdrachten en hoefde niet elk kwartier meer te verantwoorden zoals bij Total Design. Dat heeft zij in de laatste twintig jaar van haar ontwerppraktijk als een grote vrijheid bij het ontwerpen ervaren. ‘Als ik zo mijn werk bij elkaar zie is het een kakofonie van kleuren. Ik ben altijd met kleur bezig. Mijn werk uit de periode na TD is uitbundiger en vrijer.’

Bijeenkomst in Slot Zuylen ter gelegenheid van de uitgave Een rebelle aan de Vecht (ontwerp Harry Sierman), 1984 vlnr Ben Duijvelshoff, Piet Cossée, Hans Versteeg, Daphne, Focco Tamminga, Harry en Els Sierman, Hans Barvelink 

Auteur: Titus Yocarini, januari, 2013
Eindredactie: Sybrand Zijlstra
Portretfoto: Aatjan renders