Paul Mijksenaar

In hun gezin met drie dochters komt Paul voor zijn ouders als een verrassing in het een-na-laatste oorlogsjaar. Hij groeit op in de Watteaustraat, terwijl zijn vader werkt als Hoofd Pers & Voorlichting van de gemeente Amsterdam, wiens kundigheid en vaardigheden zo worden gewaardeerd dat het stadhuis een zaal naar hem vernoemt. Ondertussen zaagt Paul zijn Dinky Toys open, verwijdert of combineert onderdelen en beschildert ze met ‘Mijks 1’, of ‘Mijks 2’. Op de bovenrand van zijn opklapbed bouwt hij uit papier en plastic een vliegdekschip met vliegtuigen die hij door sleepcontacten te gebruiken voorziet van verlichting. Techniek boeit hem.

Creatief team achter Vrijheid van Drukpers, uitgave Grafisch Nederland 1976, vlnr: Paul Mijksenaar, Piet Schreuders en Nico Scheepmaker.

In 1956 gaat hij naar het Amsterdamse Montessori Lyceum en tekent vooral vlieg-tuigen, auto’s en sleepauto’s van ‘Garage Mijks’. Hij blijft een keer zitten en vervolgt in 1959 zijn middelbare school op de driejarige HBS-handelsopleiding aan het Roelof Hartplein. Deze school boeit hem evenmin.

Op zondagen bezoekt zijn moeder de kerk en neemt zijn vader hem mee in zijn dienstauto, een blauwe Ford Zephyr met ‘vergunning tot ontheffing van de zichtbare vermelding dienstauto’. Het zijn tochten door de nieuwe tuinsteden, over bruggen en langs de zich uitbreidende havens. In die op zondag verlaten havens geeft zijn vader hem rijles. Op zijn zestiende rijdt hij zijn ouders door Nederland.

IvKNO
Zijn school helpt met het maken van een beroepskeuze door verschillende opleidingen een presentatie te laten geven. Na die van de opleiding productontwerpen aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs weet hij één ding zeker: dit is het. Thuis reageert zijn moeder met “Dan gooi ik je net zo lief meteen in de put”. Zijn vader informeert op het stadhuis naar deze opleiding en na zijn goedkeuring tekent Paul een Amsterdams stadsgezicht, een platform waarvan raketten worden gelanceerd en schrijft een brief waarom hij producten wil ontwerpen. Hierna wordt hij in 1960, nog steeds zestien, toegelaten door directeur Vis, ondersteund door docent Wim Jaarsveld, die het vak productontwerpen doceert. Zijn andere docenten zijn kunsthistoricus Fred Zimmerman, beeldhouwer Jos Wong, schilder en grafisch ontwerper Theo Kurpershoek, die hem leert kalligraferen. De lessen van tekenaar Piet Klaasen gaan goed zolang er geen mensen of dieren maar apparaten getekend moeten worden. Grafisch en industrieel ontwerper Charles Jongejans geeft grafische vormgeving en Jaap Kruijff doceert het vak technisch tekenen als nauwkeurige voorbereiding op het productieproces. Dat boeit Paul, net zoals de door Jaarsveld georganiseerde jaarlijkse tweewekelijkse excursie langs allerlei Nederlandse en Belgische bedrijven, waarbij hij één van de twee gehuurde busjes bestuurt.

Al ligt het lesprogramma dichter bij zijn interesses, toch boeit het hem niet echt. Om zijn vakken te halen, zet hij zich slechts een paar weken per jaar in en wordt een meester in het presenteren. In de tijd die overblijft dwaalt hij door de stad, langs de schappen van ijzerwinkels, slentert hij over het Waterlooplein en zoekt hij overal, tot op schroothopen toe, naar wat hem bruikbaar lijkt. 

In een Amsterdam dat steeds luidruchtiger wordt door een onrustige samenleving waarin een ander politiek besef ontluikt, volgt Paul zijn eigen interesses. Hij benadert de wereld niet zozeer emotioneel, eerder rationeel. Kennis vergaren, die stapelen tot techniek en daarmee vernuftig zijn. Over die kant van de wereld leest hij graag. Zoals het artikel uit 1963 over het werk dat Jock Kinneir verrichtte voor de verkeersborden langs de Engelse wegen. Veel van zijn interesses komen hierin samen: glasheldere mededelingen door zorgvuldig geconstrueerde grafische vormen, zoals lijnen en pijlen die in verschillende kleuren met letters en cijfers in een streng typografisch systeem functioneren.

Hoornsche Metaalwaren Fabriek, 1965

Gouden Vorm
Na vijf jaar Kunstnijverheidsschool zit hij met zijn diploma op zijn studentenkamer. Om in een bedrijf te verdwijnen spreekt hem niet aan. Wat nu te doen. Zijn vader geeft hem enkele opdrachten voor zijn gemeentelijk voorlichtingswerk. Zijn oud-docent Charles Jongejans introduceert hem bij de Hoornsche Metaalwarenfabriek, een bedrijf dat zijn assortiment wil uitbreiden met huishoudelijke producten. Mijksenaar bedenkt ze en knipt en vouwt ze uit gekleurd papier of plastic. Soms worden ze uitgevoerd, zoals de asbak met een klepje tegen de rook en zijn theelichtje. Voor beide krijgt hij de ‘Gouden Vorm’ prijs, maar zijn ontwerpen zijn te minimalistisch, te licht van gewicht en te goedkoop om een begeerlijk cadeau-artikel te zijn. Uiteindelijk gaat de fabriek failliet. 

Door zijn vriendschap met Joost Elffers komt hij bij diens vader thuis. Dick Elffers vraagt hem in 1967 te assisteren bij het samenstellen van het kerstnummer ‘Kleur en motief’ van Drukkersweekblad en Autolijn. Deze uitgave brengt hem in contact met het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen, dat hem vervolgens allerlei opdrachten toeschuift. Paul Mijksenaar gaat grafisch ontwerpen.

Grafische Revue, 1971 / Lecturis documentaire, 1974 / Lecturis documentaire, 1991

Voor het eerste tijdschrift dat hij vormgeeft – het huisorgaan de ‘Monroepost’ van een Amerikaanse producent van toen nog geheel mechanische rekenmachines – tekent hij gedetailleerde vignetten. Samen vormen ze een serie, geïsoleerd geven zij hun betekenis af in combinatie met de rubriek eronder. Zijn tweede tijdschrift richt hij in 1971 mede op. Het omslag vermeldt slechts ‘Graficus Revue’. Het binnenwerk besteedt aandacht aan onderwerpen als grafisch ontwerpen, letterontwerpen en bewegwijzering. Frits de Winter voert de hoofdredactie, Aart Clerkx tekent de strip en Mijksenaar maakt het op, verzorgt een deel van de illustraties en schrijft artikelen. Zoals het lange, doorwrochte artikel ‘Typografie bij bewegwijzering. Of: de strijd tussen esthetiek en rekenliniaal’. Hierin bespreekt hij de leesbaarheid van letters en onderzoeken naar lezen, vergelijkt hij bewegwijzeringssystemen uit Engeland, de Verenigde Staten en Nederland met elkaar, en confronteert hij de ANWB met de toen matige kwaliteit van hun wegwijzers. Na zes nummers stopt ‘Graficus Revue’ omdat er niet genoeg abonnees zijn om het blad te dragen. 

Metro
Mijksenaar blijft schrijven naast zijn grafische werk en blijft geïnteresseerd in bewegwijzering. Op zijn pagina in de geïllustreerde ledenlijst van de GVN (Grafisch Vormgevers Nederland) stelt hij: “De ‘bewegwijzering’ in Nederland laat nog veel te wensen over in steden, wijken, terreinen en gebouwen. Paul Mijksenaar en Gerard Unger zijn daarom gaan samenwerken. Wij adviseren over visuele en niet visuele route-informatie systemen, binnen en buitenshuis.” Een jaar later publiceren ze gezamenlijk twee lange inventariserende artikelen in een nummer van ‘Plan’, een maandblad voor ontwerp en omgeving. 

Hun grondige analyse levert geen opdrachten op, waarna zij hun bureau ‘Sign design’ sluiten. Toch is Pieter Brattinga onder de indruk geraakt. In 1974 nodigt hij beide heren uit voor de vakgroep waarmee hij de Amsterdamse gemeente adviseert over de visuele aspecten van de eerste metrolijn. De overige leden zijn Paul Laarhoven, Anthon Beeke en Siep Wijsenbeek. Mijksenaar buigt zich over de systematiek van het te bouwen metronetwerk. Hij raadt aan de metrolijnen te nummeren (welk advies dertig jaar later wordt opgevolgd), ontwerpt een kaart die de metrolijnen schematisch weergeeft en plaatst in de treinen boven de deuren een lijnkaart waarin eveneens het aansluitend openbaar vervoer is aangegeven. 

Metro GVB Amsterdam, 1976

Datzelfde jaar begint de Eindhovense drukkerij Lecturis zijn ‘documentaires’ uit te geven, met Wim Crouwel als hoofdredacteur. Deze nodigt Mijksenaar uit om het eerste deel te verzorgen, dat de titel ‘Heeft grafische vormgeving nut’ meekrijgt. Hij analyseert hierin de verschillende grafische middelen en het coderen en decoderen van berichten. Hij bespreekt verschillende communicatieprocessen en -theorieën, zoals de semiotiek, in relatie tot het functioneren van ons brein. Het wordt de lezer duidelijk dat grafische vormgeving niet alleen de vorm kan zijn. In 1990 zal hij de redactie van de serie overnemen en publiceert hij een jaar later de documentaire ‘Ontplofte beelden’, een lofzang op de technische tekening.

In 1976 redigeert en ontwerpt Mijksenaar samen met Piet Schreuders het Kerstnummer Grafisch Nederland met de titel ‘Persvrijheid’. Ondertussen adverteert hij in Schreuders’ tijdschriften ‘Furore’ en ‘De Poezenkrant’ voor ‘Garage Mijks’, een fictief bedrijf geïnspireerd op de door hem uit triplex gebouwde en beschilderde garage waar hij vroeger zijn Dinky Toys liet repareren. 

Advertentie ‘Garage Mijks’ in tijdschrift Furore, 1976 / Lettersysteem Routext. Typografie Gerard Unger, 1976

Routext
Als student van Charles Jongejans had Mijksenaar op het Instituut voor Kunst-nijverheidsonderwijs al modellen gemaakt voor borden waarop je met losse letters allerlei teksten kon samenstellen. Aan een plastic variant daarvan werkt hij vanaf 1976 in samenwerking met het bedrijf Kemperman. Vele jaren duurt het om het spuitgietwerk van de plastic blokjes naadloos te krijgen en de kleinste tekens in één keer dekkend op de juiste positie te zeefdrukken. Gerard Unger wordt gevraagd voor de typografie. Horizontaal versimpelt deze de letter tot acht breedtes. Verticaal geeft hij elke regel voldoende interlinie om de leesbaarheid te garanderen en plaatst hij de x-hoogte uit het midden zodat omkeerbare letters meteen opvallen. Het eindproduct, waarin industriële vormgeving en typografie samensmelten, wordt ‘Routext’ gedoopt.

Wim Crouwel, in zijn functie als buitengewoon hoogleraar aan de Technische Hogeschool Delft, biedt hem in 1977 een voltijdbaan aan binnen zijn vakgroep Visuele informatie en presentatietechniek. Mijksenaar gaat in samenwerking met Hans Kruit, Frans van Mourik en Piet Westendorp colleges geven, werkgroepen leiden, en onderzoek doen. Door de jaren heen verlaagt hij gaandeweg het aantal dagen van zijn aanstelling om te kunnen ontwerpen. Postzegels bijvoorbeeld en jaarverslagen, waarvoor hij zelf de grafieken tekent en die hij soms laat illustreren door oud-studiegenoten Mariet Numan of Franka van der Loo. 

In 1981 nodigt Loek van der Sande, directeur van Total Design, hem uit om binnen dit bureau zijn eigen ontwerpteam te beginnen. Er is behoefte aan analytisch en systematisch denken doordat het bureau steeds vaker steeds complexere opdrachten ontvangt. Met Esther Verdonk, Rijk Boerma en Theo Peters werkt hij aan projecten als het handboek voor de Amsterdamse Metro en de Cito-toets. 

Spruijt-kalenders
Een meer zichtbare opdracht heeft hij twee jaar eerder ontvangen van Frans Spruijt. Diens drukkerij onderhoudt zijn zakelijke relaties door ze elk jaar een weekkalender toe te sturen. De reeks begon in de jaren vijftig met typografische ontwerpen van Harry Sierman, waarna Jan van Toorn het experiment vergrootte door er inhoudelijke thema’s en fotografie in te verwerken. Mijksenaar wordt gevraagd drie kalenders te ontwerpen. De eigenlijke functie als kalender krijgt minder nadruk; die wordt verlegd naar de gekozen thema’s. Het zijn goed gedocumenteerde introducties van onderwerpen waar nog niet eerder over is gepubliceerd en waar hij ontwerpende collega’s en andere deskundigen voor uitnodigt om aan bij te dragen met beeld en tekst.

Spruijt’s Merkenkalender, 1980 / Spruijt’s kalender 1981-1982 ‘Over gebruiksaanwijzingen en instruktieve illustraties’

De eerste kalender (1980-1981) is ‘Spruijt’s Merken Kalender’ en presenteert woord- en beeldmerken van bedrijven en producten. Het onderwerp is hem letterlijk aangereikt door zijn schoonmoeder die, werkzaam bij de Amsterdamse Kamer van Koophandel, uit het vuilnis overtollige jaargangen met gedeponeerde handelsmerken gered heeft. De selectie wordt aangevuld uit zijn eigen archief en archieven van anderen.

De tweede kalender (1981-1982) toont gebruiksaanwijzingen en instructieve illustraties. Getekende mededelingen waarvan hij de schoonheid nog verhoogt door ze uit te vergroten, terwijl hij het begrip ervan vergroot door ze van uitleg te voorzien. Hij sluit zijn kalender af met de oproep: “Mede met het oog op een aan de Technische Hogeschool Delft te verrichten onderzoek naar het visuele aspect van gebruiksaanwijzingen, displays, bedieningspanelen enz., worden allen die in het bezit zijn of komen van voorbeelden welke nog niet in deze kalender te vinden zijn en deze ten behoeve van dit onderzoek willen afstaan, c.q. in bruikleen willen afstaan, verzocht deze te zenden aan: Paul Mijksenaar.”

Spruijt’s kalender, 1982-1983 ‘Plattegronden & kaarten’ / Spruijt’s kalender, 1985-1986 ‘Nooit bij stilgestaan’

De derde kalender (1982-1983) heeft plattegronden en kaarten als onderwerp. Dat is risicovol voor de drukker, omdat de afbeeldingen reeds eerder gelithografeerd en gedrukt zijn en de kalender eveneens een proeve van hun grafische bekwaamheid moet zijn. Ook risicovol voor hem omdat er, in tegenstelling tot zijn voorgaande kalenders, al ruimschoots over dit onderwerp is gepubliceerd. Hij slaagt in zijn opzet door de grote verscheidenheid van het getoonde materiaal.

Als toegift volgt er nog een vierde kalender (1985-1986) met de titel ‘Nooit bij stilgestaan…’. Het is Mijksenaars commentaar op de toename van overdadige vormgeving die vorm en functie van elkaar ontkoppelt. Naast de sobere typografie toont hij in zwart-wit fotografie meer dan honderd objecten, gereedschappen en kleine apparaten die hun functie maximaal vervullen met een minimum aan vorm. 

Verzamelingen
De inspiratie hiervoor heeft hij opgedaan tijdens zijn speurtochten langs ijzerwinkels, rommelmarkten en schroothopen. Uit die verzamelingen waren ook de thema’s ontstaan voor zijn drie eerdere kalenders. Eerst paste alles nog in een doos, daarna op een plank en later kan hij er een kast mee vullen. Vervolgens meerdere kasten die – eerst in zijn garage en later als archief – een onlosmakelijk onderdeel werden van zijn bureau; ter inspiratie voor zijn medewerkers en hemzelf en ter ondersteuning van de projecten waaraan zij werken. Vanaf 1989 ontfermt zijn vrouw Ellen de Ringh de Vries zich over het archief en maakt het ook toegankelijk voor anderen. Tegelijkertijd vormt zich in Delft een tweede archief door de enthousiaste reacties op Mijksenaars oproep, die variëren van een enkele gebruiksaanwijzing tot meerdere dozen tegelijk. Ze vullen stellingkasten die een oppervlakte beslaan van vijftig vierkante meter en zullen later twee medewerkers van het Nederlands Archief Grafisch Ontwerpers drie maanden kosten om ze te catalogiseren. Vanaf 2011 schenkt Mijksenaar delen van zijn archief, waaronder meer dan tweeduizend kaarten, aan de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.

Bezoekerskaartje Jeveka bv, 1988

Mijksenaar blijft schrijven. Vanaf 1985 een maandelijkse column in de rubriek ‘Vormgeven’ van het NRC Handelsblad. Voor een groot publiek bespreekt hij een brede waaier aan onderwerpen, die variëren van objecten als bankbiljetten en ‘Pootjesglas’, tot onstoffelijke aspecten zoals de inrichting van de openbare ruimte en visuele afspraken die de samenleving laten functioneren. In dezelfde krant schrijft hij vanaf 2006 de maandelijkse rubriek ‘Mijks Repairshop’, waarin door hem gesignaleerde problemen direct worden opgelost met een getekend ontwerp.

NRC column Mijks Repair Shop, 2005-2006 / Restaurantschildje, 2005

In 1986 verlaat hij Total Design en de TU Delft om zijn eigen bureau op te richten. Doordat Mijksenaar en Ellen hun zonen Daniël en Meijer elk een eigen kamer gunnen, werkt hij aanvankelijk vanuit zijn slaapkamer. Al snel moet hij een werkruimte huren vanwege al het werk, zoals de bewegwijzering voor de knooppunten van de postbezorging, die deels uitgevoerd wordt met het Routext-systeem. Meer medewerkers dienen zich aan, onder wie Rijk Boerma, omdat de opdrachten steeds groter worden.

PTT Expeditieknooppunt Den Bosch, 1988

Schiphol
In 1989 vraagt Hans Beukelman, hoofd van de afdeling vormgeving van Schiphol, aan Mijksenaar om een klein en kort onderzoek te doen. Beukelman ergert zich aan de wildgroei van borden op de luchthaven. Na Mijksenaars rondgang langs de toegangswegen, door de hallen en over de pieren, blijkt de afsluitende presentatie voor een zaal met honderd man te zijn. Hij analyseert de gesignaleerde problemen zonder terughoudendheid, waarna enkelen geïrriteerd vertrekken. Zij die blijven, luisteren instemmend want de luchthaven staat aan de vooravond van een grote uitbreiding, met een verhoogd wegenstelsel, nieuwe vertrek- en aankomsthallen, nieuwe pieren en onder de grond een nieuw aan te leggen treinstation. 

Bewegwijzering Schiphol, vanaf 1989

Via een competitie verwerft Bureau Mijksenaar de opdracht voor de bewegwijzering van Schiphol. Er worden twee oriënterende onderzoeksrapporten geschreven: een voor de uitgangspunten en een voor de concepten. Beide bespreken de ergonomische aspecten en evalueren daarmee hoe de reiziger zich verhoudt tot de bewegwijzering. Aspecten zoals gezichtsveld, zichtlijnen, zichtbaarheid, kleurcontrast, routing, beslispunten, borden, kaarten, en wat er verder bij komt kijken om de reiziger zonder problemen door een luchthaven heen te loodsen. Dit eenmaal duidelijk, zijn de te nemen beslissingen beter onderbouwd en sneller genomen.

Die beslissingen houden ook rekening met de geschiedenis van de luchthaven Schiphol. Voor de oplevering ervan in 1967 had de interieurarchitect, Kho Liang Ie, aan grafisch ontwerper Benno Wissing gevraagd de bewegwijzering te verzorgen. In overleg werden alle borden naar en van de vliegtuigen geel gemaakt. De borden voor alle andere mededelingen werden groen. Indien noodzakelijk plaatste Wissing een zwarte pijl in een witte cirkel; andere symbolen of pictogrammen zouden de internationale reizigers niet op dezelfde manier duiden. Hierna zorgde de interne dienst twee decennia lang voor de bebording en slopen er langzaam aan onregelmatigheden in.

Voor het nieuwe bewegijzeringssysteem bewaart Bureau Mijksenaar wat goed is en verandert geleidelijk aan wat niet goed is. Hij verruilt de Akzidenz Grotesk door de leesbaardere Frutiger, vereenvoudigt de lay-out en scherpt het woordgebruik aan. Na een vele mensenlevens eisende brand in 1996 op de luchthaven van Düsseldorf wordt groen alleen nog gebruikt voor mededelingen over de veiligheid. Andere onderwerpen geeft hij elk hun eigen kleur, hij haalt het Nederlands grotendeels van de tweetalige borden, herintroduceert de aanvangskapitalen en breidt zijn tekenrepertoire uit met vele pictogrammen. De internationale reiziger kan deze de taalbarrière-overstijgende tekens inmiddels wel feilloos duiden.

Het werk aan Schiphol inspireert zijn analytische geest tot verder onderzoek en publicaties. Door de explosieve groei van reizigers is bewegwijzering een specialisme geworden en hij noemt zich nu ‘wayfinding expert’.

Toeristische bewegwijzering Amsterdam, 1984
Bewegwijzering Nederlandse Spoorwegen/ProRail, vanaf 1999
Pictogram-met-uitleg. Treinstations, 2013

Visuele informatie
In 1991 ontvangt Mijksenaar van de TU Delft de uitnodiging om hoogleraar te worden als opvolger van Ootje Oxenaar. Een dag in de week gaat hij leiding geven aan de vakgroep Visuele informatie. Naast het samenstellen van het onderwijsprogramma, begeleidt hij anderen bij het doen van onderzoek, publiceert met co-auteurs over onderzoek in vakbladen, geeft lezingen buiten en binnen de universiteit, deelt zijn kennis met studenten en beoordeelt hun opdrachten met zijn scherpe analyses. 

De rede die Mijksenaar in januari 1992 uitspreekt bij zijn inauguratie wordt in 1996 integraal uitgegeven met de opdracht “Voor mijn vader/ die de inhoud heeft voorbereid/ maar de vorm/ niet heeft mee kunnen maken.” De uitgave krijgt als titel een citaat van Multatuli: “Zoekt – door zeer vlijtige arbeid, o kunst-adepten! – inhoud machtig te worden. De vorm zal u toegeworpen worden.” De Engelse uitgave, met de titel ‘Visual Function’, wordt gevolgd door een Spaanse en Koreaanse vertaling.

In 56 pagina’s wordt de functie van visuele informatie in onze directe omgeving besproken, zoals die voor producten, op het scherm en in gebouwen. Na dit overzicht wordt de geestelijke bijdrage besproken van zijn voorgangers in het vak, zoals Jacques Bertin, Gerd Arntz en Otto Neurath, Florence Nightingale, Charles Joseph Minard en William Playfair. Hierna komt hij uit bij de drie grondregels van Marcus Vitruvius. Volgens deze Romeinse bouwmeester had elk bouwwerk te voldoen aan ‘Firmitas’, ‘Utilitas’ en ‘Venustas’, de drie-eenheid van gedegenheid, functionaliteit en schoonheid. Mijksenaar vertaalt ze als duurzaamheid, betrouwbaarheid en bevrediging. Hij toont aan de hand van een schema met drie assen aan dat veel ontwerpers hun aandacht vooral laten uitgaan naar de vorm, hiermee experimenteren of schoonheid nastreven. Dit levert ondoordachte en overbodige vormgeving op die de overdracht van informatie stoort. Mijksenaar stelt “…de vorm zal u toegeworpen worden” door een juiste analyse van de functie en stelt dat haar vorm als schoonheid wordt ervaren wanneer die functioneert. Ten slotte herinnert hij kunsthistorici eraan dat zij te weinig oog hebben voor het alledaagse, zoals wat er te vinden is in winkels, op straat en op rommelmarkten, terwijl dat velen kan inspireren.

Visual Function, 1997

Universele taal
Iets alledaags inspireert hem tot het in 1999 gepubliceerde ‘Hier openen. De kunst van de visuele instructies’. Als een nader onderzoek volgend op zijn tweede Spruijt-kalender selecteert hij samen met zijn TU Delft collega Piet Westendorp honderden visuele instructies van allerlei producten uit hun Amsterdamse en Delftse archieven. Ze maken duidelijk dat door de industriële revolutie en de technische vooruitgang de visuele uitleg voor allerlei producten een noodzaak is geworden. Dit doordat de fysieke afstand tussen producent en consument vergroot is en tegelijkertijd hun product ingenieuzer is geworden, zodat het zichzelf niet meer kan uitleggen. Getekende instructies bieden hier hulp door hun gelijkenis met de werkelijkheid, hun compactheid en door universeel te zijn. Om die laatste reden is het alleen nog nodig om de tekst van “Hier openen” te vertalen. Andere voordelen van visuele instructies zijn dat ze zich kunnen manifesteren in allerlei media en dat ze ruimte en tijd zichtbaar maken – twee aspecten waar mensen geen zintuig voor hebben. Ze vormen een eenvoudig te leren taal, een lingua franca, die als brugtaal velen verbindt. Doordat het deze taal nog aan standaardisatie ontbreekt, functioneren visuele instructies echter nog niet als een mondiaal visueel Esperanto. En dus zijn misverstanden niet uit te sluiten.

Engelse versie van ‘Hier openen’, 1999

Reizigers willen echter zonder misverstanden genavigeerd worden. Daarom construeert de wayfinding-specialist zijn mededelingen uit verschillende teken-systemen, zoals taal, cijfers, iconen, symbolen en kleuren. Die mededelingen wijzen in samenspraak met de architectuur de reizigers aan hoe zij hun doel kunnen bereiken. Tijdens die route, of ‘flow’, ontrolt zich een narratief, waarbij de wayfinding-specialist er als een regisseur voor heeft te zorgen dat de spanning niet te hoog oploopt, er begrijpelijke ontknopingen zijn, en het ten slotte voor alle reizigers goed afloopt. Mijksenaar, zich bewust van zo’n scenario, zou het ontwerpproces dan ook willen omkeren: eerst de vertelling die de flow genereert, waarna er een luchthaven omheen wordt gebouwd. Want na die analyse zal de vorm u worden toegeworpen.

Eigen studie naar het ideale vliegveld door toepassing van ‘natural wayfinding’, 2014-2015
John F. Kennedy Airport, Terminal 4, 2003

Wayfinding
Door de constante hoge waardering van de internationale reiziger voor Schiphol en dochterluchthaven Terminal 4 op John F. Kennedy Airport in New York, huurt het New Yorkse havenbedrijf Nederlandse expertise in voor de vliegvelden JFK, LaGuardia en Newark. Eer het zover is wordt Mijksenaar door Schiphol USA gevraagd voor een ‘peer review’ van de door Geismar & Chermayeff voor JFK ontworpen wayfinding. Hij kraakt de ondoordachtheid ervan af, krijgt met zijn bureau de opdracht voor een herontwerp en ontvangt na oplevering een prijs voor het eindresultaat. Hierna verwerft hij in samenwerking met het Amerikaanse ingenieursbureau Arup een gelijkaardige opdracht voor Dulles International Airport in Washington. Voor de vernielde metrostations onder de ingestorte World Trade Center-gebouwen werkt zijn bureau met Arup aan plannen die onuitgevoerd zullen blijven. Ook ontwerpen ze de wayfinding voor een aankomsthal van een luchthaven waar nooit een vliegtuig zal landen of opstijgen, maar waar Steven Spielberg zijn film ‘The Terminal’ opneemt.

Steven Spielberg en Paul Mijksenaar, 2003

Behalve voor luchthavens, ontwerpt Bureau Mijksenaar ook de bewegwijzering voor parkeerplaatsen, winkelcentra, ziekenhuizen, universiteiten, musea, metro- en treinstations en voor dierentuinen. In alle gevallen wordt de opdracht eerst grondig onderzocht, waarna de borden worden uitgetekend, besteld en opgehangen. Zo ook de palen in de Amsterdamse dierentuin Artis, die het publiek op vier manieren toespreken. Het bovenste bord als de ‘Artis-wandeling’ langs de vijftien bekendste dieren. Daaronder een groter bord dat de dieren in de directe omgeving aanwijst. Daar weer onder een bord voor de onderwerpen die geen dieren zijn. En onderop de paal staat in afbeeldingen aangegeven wat kinderen boeit. 

Artis, 2012 / Uitleg symbolen Artis, 2012
De Nederlandsche Bank, 2005

Andere opdrachten dan wayfinding krijgen dezelfde grondige analyse en gedetailleerde uitvoering. Mijksenaar en zijn medewerkers kunnen van klein naar groot denken, van concreet naar abstract, en andersom. Een ingewikkeld probleem terugbrengen tot een vraag, die beantwoorden met werkbare oplossingen en ze tot op het kleinste detail foutloos uitvoeren. Bijvoorbeeld het onderzoeksrapport ‘Design in the creative economy’, uitgegeven door Premsela Foundation, waarin de heldere datavisualisaties van Bureau Mijksenaar het verhaal vertellen. Of de boekensteun voor de boekenwinkel van het New Yorkse Museum of Modern Art. Of de trofee voor de BNO Piet Zwartprijs, die de driedimensionale uitwerking is van de typografische handtekening van deze ontwerper en uitgereikt wordt “voor een excellente ontwerper die van grote betekenis is voor het vakgebied en een voorbeeldfunctie heeft ten opzichte van de volgende generatie ontwerpers”. In 2015 heeft de jury deze prijs toegekend aan Mijksenaar, die zodoende zijn eigen trofee in ontvangst mocht nemen.

Trofee BNO Piet Zwart Prijs, 1983

Emeritaat
Ondertussen heeft de Haagse regelgeving zijn lesprogramma danig ingekort en is zijn rol als ‘leidinggevende’ aan de TU Delft hem steeds zwaarder gaan vallen. In 2007 gaat Mijksenaar met emeritaat, waarna hij de boeken ‘Wegwijs op Schiphol’, ‘Bestemming bereikt’ en de applicatie ‘99 do’s & dont’s of wayfinding’ publiceert. Zijn zoon Meijer versterkt vanaf 2009 Bureau Mijksenaar. Samen met hem ontwerpt Mijksenaar in 2009 tien postzegels naar aanleiding van honderd jaar gemotoriseerde luchtvaart in Nederland, die door het publiek uitgeroepen worden tot de mooiste van het jaar. Een andere bekroning is de Paul Mijksenaar Design for Function Award die in 2011 wordt geïniteerd door Joost Elffers: om functionaliteit in ontwerp meer aandacht te geven. Mijksenaar ontwerpt de trofee, die steunt op drie poten die Vitruvius’ grondregels ‘firmitas’, ‘utilitas’ en ‘venustas’ representeren. Edward Hines ontvangt de prijs postuum voor zijn precies honderjarige vinding van de middenstreep op de autoweg. Twee jaar later ontvangt de Belgische mijn-ingenieur Hugo Bollen hem in 2013 voor zijn netwerk van knooppunten voor fietsers.

Wegwijs op Schiphol, 2008 / Bestemming bereikt, 2009
Postzegels 100 jaar gemotoriseerde luchtvaart in Nederland, 2009

In 2014 doet Mijksenaar zijn bureau over aan zijn partners Rijk Boerma en Herbert Seevinck, die het van de Bijlmer verhuizen naar het centrum van Amsterdam. Nu heeft hij meer tijd om met Ellen in hun Toscaanse huis te verblijven en om te dwalen.

Auteur: Chris Vermaas, september 2015
Eindredactie: Sybrand Zijlstra
Portretfoto: Aatjan renders