Anneke Huig

Het progressieve gezin waarin ik samen met vier broers ben opgegroeid, inspireerde tot veel eigen inbreng, visie en initiatieven als het ging om onze toekomst en onze plek in de wereld. De weg van de minste weerstand was geen optie, wij hadden uitdagingen nodig. Mijn uitdaging was iets te vinden waarin een carrière en het grootbrengen van kinderen kon worden gecombineerd. Iets wat in die tijd volkomen ondenkbaar was: wanneer je als vrouw aan een gezin begon, dan stopte je met werken. Ook wilde ik vóór mijn dertigste een eigen huis bij elkaar hebben gespaard.

Achter mijn tekentafel tijdens een interview over vrouwen in een mannenwereld door Wessel Franken en Lieneke van Schaardenburg, 1966. Foto Bob Westdorp

In de zomer van 1940 kwam ik ter wereld tijdens onweer en luchtalarm. Mijn vader, een Zaankanter, was bouwkundige. Vanaf de jaren vijftig was hij verbonden aan het bureau voor architectuur en stedenbouw van prof. Wieger Bruin. Mijn vader gaf daarnaast les in bouwkunde aan de makelaarsopleiding NVM en hij was beëdigd makelaar. Mijn moeder, afkomstig uit het kunstenaarsdorp Laren in het Gooi, ontwierp kleding. Vóór de Tweede Wereldoorlog had ze een column in het Algemeen Handelsblad. Al vroeg kwam ik in aanraking met de geur van drukinkt en het geluid van ratelende persen. Drukkerij Huig in Zaandam, waar indertijd de reproducties voor het Stedelijk Museum in Amsterdam werden gedrukt, was eigendom van twee volle neven van mijn vader. De beide (kinderloze) directeuren vonden het vanzelfsprekend dat mijn oudste broer, die aan de Grafische School studeerde, hun zou opvolgen. Mijn broer bedankte echter voor de eer en trok naar Amerika om daar zijn geluk te beproeven.

Schooltijd en studie
Ik bezocht de Vrije School, de Geert Groote School in Amsterdam. De leraren hadden veel ruimte om hun leerstof aan te passen. Leerlingen hielpen klasgenootjes voor wie het allemaal een beetje te snel ging. Ik was een jaar of twaalf toen ik me verbaasde over de rommelige manier waarop in een Duits leerboekje de naamvallen werden behandeld. Ik bedacht enkele overzichtelijke schema’s voor een dyslectisch klasgenootje, waarmee ze heel goed uit de voeten kon. Ergens lag hier al de kiem voor mijn latere beroep: het helder overbrengen van informatie, oftewel: orde scheppen in de chaos.

Werkweek met leerlingen van het IvKNO op Terschelling, 1959 

De school bood veel ruimte aan kunstzinnige vakken zoals literatuur, toneel, tekenen en schilderen, maar mijn voorkeur ging uit naar de betavakken. Toch bracht de combinatie van kunstzinnig en exact me na de middelbare school tot de keuze voor het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (IvKNO), de voorloper van de Gerrit Rietveld Academie. In het door Berlage ontworpen gebouw aan de Gabriël Metsustraat, in de schaduw van het Stedelijk Museum, koos ik voor de grafische afdeling: illustratie, typografie en reclame. Docent Wim Brusse zag een mooie carrière voor mij als grafisch ontwerper weggelegd. Ik studeerde af in 1960.

Prachtige opstap
Voor Knoll International, een showroom van Amerikaanse designmeubelen in Amsterdam, realiseerde ik mijn eerste echte opdracht. Het samenstellen van boeken met foto’s, monsters van meubelstoffen en gekalligrafeerde teksten hield me maanden bezig. Toen de secretaresse van directeur Wim J. Jansen ontslag nam omdat zij ging trouwen (!), bood hij mij haar baan aan, tenzij ik beslist in mijn eigen vak verder wilde. In dat geval wilde hij wel enkele van zijn zakenrelaties aanschrijven om mijn capaciteiten onder hun aandacht te brengen. Natuurlijk koos ik voor het laatste. Het rijtje relaties dat de heer Jansen aanschreef bestond uit: de directie van Proost en Brandt, Willem Sandberg, Wim Crouwel, Otto Treumann, Gerard Wernars, Toussie Salomonson-Keezer en Benno Premsela.

Wim Crouwel, pas 32 jaar en al een internationaal vermaard ontwerper, was de eerste die reageerde. Op 15 mei 1961 begon ik, als Wims eerste vaste medewerker, op zijn atelier aan de Reguliersgracht, gevestigd op de zolder van de firma P. Rijnja. De arbeidsvoorwaarden dateerden uit 1919. Dit was het begin van misschien wel de vijf spannendste, boeiendste en leerzaamste jaren van mijn leven, waarin ik alle kneepjes van het ontwerpvak mocht leren.

Total Design
Na anderhalf jaar kwamen de plannen voor Total Design ter sprake, een samenwerkingsverband tussen de ontwerpers Benno Wissing, Friso Kramer en Wim Crouwel, versterkt met zakelijk partners Paul en Dick Schwartz, Ben Bos als studiochef, en om te beginnen vijf assistenten / medewerkers. Wim beschreef de ongekende mogelijkheden van dit nieuwe bureau – uniek en pionierend – dat gevestigd zou worden in het pand Herengracht 567. 

Niet meer rechtstreeks voor Wim werken, maar verantwoording afleggen aan een studiochef, trok me niet zo aan. Wim wist me echter over te halen en ik beloofde hem drie jaar te blijven. Ook Jack Jacobs, die op freelance basis voor Wim werkte, ging mee naar Total Design. Al snel bleek de constructie met Ben Bos als doorgeefluik tussen de ontwerpers en hun voormalige directe medewerkers onwerkbaar. Er ontstonden irritaties. Na enkele maanden werden de directe banden tussen de medewerkers en hun ‘eigen baas’ weer in ere hersteld. Ben kreeg zijn eigen team.

Werkzaamheden bij TD
Na de oprichting van Total Design kregen de assistenten/medewerkers steeds meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheden. Het eerste project dat ik bijna geheel zelfstandig realiseerde, was het monumentale boek Rembrandt. The Complete Etchings, dat bijna driehonderd pagina’s besloeg en waarin honderden etsen 1:1 moesten worden afgebeeld. Vele avonden heb ik in een uitgestorven grachtenpand tussen het bouwgruis aan dit boek gewerkt. Juist ’s avonds kon ik me, ongestoord, goed concentreren. De Nederlandse versie van het boek werd uitgegeven door H.J.W. Becht’s Uitgeversmaatschappij NV te Amsterdam, de Engelstalige door Harry N. Abrams te New York. Het boek werd bekroond bij de 50 Best Verzorgde Boeken, maar helaas ontbrak mijn naam in het colofon.  

Boek ‘Rembrandt de etser’ met alle etsen van Rembrandt op ware grootte (in samenwerking met Wim Crouwel, Total Design), 1963

Edy de Wilde, directeur bij het Van Abbe Museum in Eindhoven, werd in 1963 directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hij was een oude relatie van Wim Crouwel en dit betekende het begin van een enorme reeks catalogi die door TD werden vormgegeven, soms ook met bijbehorend affiche. Ik heb aan zeker veertig catalogi en verschillende affiches meegewerkt. Heel wat uren heb ik doorgebracht tussen de persen van de Stadsdrukkerij met een kleurenmonster in de hand om fiat voor het drukken te kunnen geven, soms pas diep in de nacht. Pas vanaf het najaar van 1965, bijna drie jaar na de oprichting van TD, werden naast de senior ontwerpers ook de medewerkers in de colofons vermeld. Een goede zaak, maar voor mij te laat.

Samen eten tijdens het Icograda congres, Zürich 1964. Met Annie Crouwel, Emy Wijt, Wim Crouwel, Anneke Huig, Friso Kramer, Haruko Koguchi, Nina Gerlsma en Dick Schwarz. Foto Comet-Photo AG, Zürich

In het weekend van 30 en 31 oktober 1965 stond ik namens Benno Wissing in verband met de mega-huisstijloperatie van de PAM op de lokatie Kampen: een konvooi van eerder wit en zwart gespoten tankwagens moest worden voorzien van de vermiljoen rode druppel en het bijbehorende letterbeeld. Iedere tien minuten één. Ik mocht met mijn meetlint de plaats bepalen. André (That Hwie) Kwee van Omniscreen had een legertje plakkers meegebracht. De rest van het wagenpark werd gelijktijdig door Benno zelf in Rotterdam klaargestoomd. De resultaten hiervan waren vanaf de volgende morgen in Nederland zichtbaar.

Tijd voor iets anders
De drie jaar die ik voor Total Design had uitgetrokken waren bijna om. Ik had een prachtige tijd gehad en het was mooi geweest. In een gesprek dat ik met Wim had over mijn ophanden zijnde vertrek en mijn nog niet geheel uitgewerkte plannen daarna, kwam Wim met een opmerkelijke mededeling. Hij zei dat hij begreep dat ik weg wilde omdat er ondanks mijn capaciteiten voor mij als vrouw geen mogelijkheid was om door te stromen naar de top van TD. Nu had ik geen enkele aspiratie te streven naar een plaats in de directie, maar het feit op zich vond ik wel schokkend. 

Eigenlijk wilde ik alleen maar weg uit zijn schaduw en goed werk leveren onder mijn eigen verantwoordelijkheid. Ik wilde niet eeuwig iemands assistent zijn. Plannen voor een gelijkwaardig samenwerkingsverband met mijn dierbare collega Will van Sambeek bleken om privé-redenen niet haalbaar. Ik denk nog met een warm gevoel van weemoed terug aan onze urenlange discussies op zijn zolderkamer in Breda, over kleinkapitalen en andere typografische voorkeuren.

Een jaar naar Amerika was een andere optie. Ik had zo veel overuren gemaakt die niet konden worden uitbetaald, dat ik drie weken extra vakantie kreeg om George Koizumi in New York te bezoeken. George had in de begintijd van TD ruim een jaar bij ons gewerkt als assistent van Benno Wissing. In ruil daarvoor was er voor mij een baan beschikbaar in New York. De toch wel erg conformistische Amerikaanse mentaliteit was voor mij echter te beklemmend en weerhield mij ervan op deze mogelijkheid in te gaan.

Tijdens de uitvoering van een muurontwerp in een internaat voor zwakbegaafde kinderen, Winschoten 1967. Foto Greet Smit

Detail van een muurontwerp waarbij meerdere muren in de ruimte beschilderd zijn. Technische Dienst Philips, Alkmaar, 1966

Sprong in het diepe
Op 15 mei 1966, precies vijf jaar nadat ik bij Wim op zijn atelier de echte ontwerperswereld was binnengestapt, begon ik mijn eigen studio, nieuwsgierig naar wat er uit mezelf zou kunnen komen. Naast het werk dat ik van Wim had meegekregen en de muurschilderingen (eigenlijk muurontwerpen) die ik al regelmatig voor verschillende architecten en gemeentes maakte, liepen de opdrachten al vrij snel binnen. Het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, de Culturele Raad van Haarlem, Drukkerij Senefelder en de Beatkelder onder de brug van het Vondelpark waren enkele van mijn opdrachtgevers. Er was in die tijd werk in overvloed. Karel Berkhout, met wie ik aan het IvKNO had gestudeerd, begon over de mogelijkheid van een samenwerkingsverband op basis van gelijkwaardigheid. Dick Dooijes schreef meermaals over mijn werk in zijn rubriek ‘Langs de weg geplukt’ in Drukkersweekblad.

Logo Nederlands Instituut voor
Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (onderdeel huisstijl), Den Haag, 1968

Kalender voor Drukkerij Senefelder, foto’s van Albert Lauw, Amsterdam, 1969

Poster voor Popkelder Lijn 3 (onderdeel huisstijl), Amsterdam, 1968

Woningnood
Het enige probleem dat er in die jaren speelde was de woningnood. In mijn kleine huurkamertje aan de Amstel kon ik geen zakenrelaties ontvangen. Ik stond al enkele jaren ingeschreven voor een kunstenaarswoning bij de gemeente Amsterdam en bij de Amsterdamse Maatschappij tot Stadsherstel, zonder dat er veel gebeurde. Op een zeker moment kwam er een klein grachtenpandje met gescheiden werk- en woonruimte te koop dat binnen mijn budget paste. Vanaf mijn tienerjaren had ik braaf een percentage van mijn inkomen opzij gezet, zoals mijn vader mij en mijn broers ooit aanraadde, en daar had ik nu baat bij. In afwachting van de ontruiming van het bedrijfsgedeelte bood collega Jurriaan Schrofer mij een deel van zijn atelier aan als uitvalsbasis, waar ik ook mijn zakenrelaties kon ontvangen. Jurrie spoorde me aan werk in te sturen naar de GKf om lid te kunnen worden; hij vond dat ik erbij hoorde. Ik werd toegelaten.

Brochure voor Actiegroep Schone Randstad Zuid, met een foto van Dolf Kruger. Onderdeel van een geslaagde actie om vestiging van het Hoogovenbedrijf op de Maasvlakte tegen te houden, 1970

Stichting Typotent
Ondertussen vonden in de grafische wereld gigantische veranderingen plaats. De overgang van boekdruk naar offset bracht een vloedgolf aan overbodig geworden loden zetmateriaal en hand- en degelpersen teweeg, wat allemaal als schroot dreigde te worden omgesmolten. Menig letterkast en handpers kwam zodoende terecht in het atelier van enthousiaste kunstenaars. Pieter Brattinga was een van de bedenkers van de stichting Typotent. Het doel hiervan was ‘het oprichten en in stand houden van één of meer ateliers in Amsterdam of elders waarin geïnteresseerden (leden) grafische technieken kunnen beproeven’. Drukkerij Van Steijn in de Warmoesstraat stelde zijn zolder beschikbaar. Hier ontstonden juweeltjes van typografie. Behalve Pieter Brattinga werd het bestuur van de stichting gevormd door de heren Jaap Kaal, Dick Dooijes, F.G. Meijer, Th.H. Oltheten, Emile de Vries en de dame Anneke Huig. Bij het gebruiksklaar maken van de zolder als atelier/drukkerij kon ik al mijn organisatietalent kwijt.

Otto Treumann
Wanneer Otto Treumann voor meerdere weken naar Zwitserland of Israël ging, kreeg ik de sleutel van zijn huis en zorgde ervoor dat zijn werk gewoon doorging. Als ik tijd over had, werkte ik bovendien samen met Otto aan drie van zijn grote projecten: de Gemeentekalender van Amsterdam over markten en twee forse boeken. Als dank liet Otto mijn naam in het colofon zetten. Dat had hij beter niet kunnen doen. Alledrie de projecten werden bekroond en zo kwam het dat mijn naam aan die van Otto werd gekoppeld. Was ik uit de schaduw van Wim gekropen, viel de schaduw van Otto over me heen. We hebben er samen hartelijk om gelachen; Otto begreep mijn dilemma.

Boekje ‘Handleiding gebruik vignet en typografische voorschriften van de N.V. Nederlandse Gasunie’, de voorloper van de bedrijfsstijl, Gasunie, 1971

Boekje ‘Gas > aardgas’, Gasunie, 1972

De Gasunie
Otto had in 1963, kort na de ontdekking van het aardgasveld bij Slochteren, een logo ontworpen voor de toen nieuw op te richten Gasunie. Het hoofdgebouw in Groningen naderde in het voorjaar van 1968 zijn voltooiing en zou een volksverhuizing van Gasunie personeel vanuit heel Nederland teweegbrengen. Aan Otto werd gevraagd of hij (in veel te korte tijd) een serie bedrijfsformulieren met zijn eerder ontworpen logo kon realiseren. Formulieren ontwerpen was nu niet bepaald een grote passie van Otto en daarom dacht hij aan mij. Samen reden we naar Scheveningen, waar ik werd voorgesteld als iemand met ervaring bij Total Design die uitermate geschikt was deze klus te klaren. Ik kreeg de opdracht en Otto trok zich terug. De heren van de Gasunie waren aanvankelijk wat sceptisch over mijn ‘aanstelling’. In een wereld van pijpleidingen en jaknikkers kwamen geen vrouwen voor, behalve achter een schrijfmachine.

Dit veranderde nadat de eerste serie gebruiksformulieren van de persen was gerold: op tijd, goed gedrukt, perfect van kleur en het ontwerp fraai en professioneel. Ik reageerde vrij nuchter op hun verbazing: ‘Maar natuurlijk, dat is m’n vak.’ De inhoud had gewonnen. Er volgden al snel andere opdrachten, brochures, folders en een kalender.

Kalender met knipsels van Frouke Goudman-Cupido, Gasunie, 1974

Brochure ‘Energie bewust bouwen in Zweden’, Gasunie, 1980

Helicopter Gasunie, 1986

Jan Visser
Mijn contactpersoon bij de Gasunie was Jan Visser, oorspronkelijk afkomstig van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en bij de Gasunie aangesteld als voorlichtingsfunctionaris. Hij was tevens verantwoordelijk voor de inhoud en uitvoering van het personeelsorgaan Gasuniek. Het klikte tussen ons en we vulden elkaar goed aan. Mijn creatieve ideeën konden door Jan uitstekend worden verwoord en binnen het bedrijf verdedigd. Wij bleken een prima team.

Jubileumboek ‘Mens en energie’, Gasunie. Ter gelegenheid van het 15-jarig bestaan, 1978

Jan was weduwnaar. Ik kwam al snel over de vloer bij het moederloze gezin in Hoek van Holland en raakte gecharmeerd van de beide kinderen, Mariëtte van 14 en André van 10. Er volgde een huwelijk en een verhuizing naar het Groningse platteland. Het pandje aan de Prinsengracht werd ingeruild voor een semi-bungalow in Glimmen, onder de rook van Groningen. Door mijn huwelijk kreeg ik ouderlijke macht over twee stiefkinderen, wat ik graag wilde. Maar ik raakte ook een stuk van mijn zelfstandigheid kwijt. Ik werd voor een deel handelingsonbekwaam, wat me later in financieel opzicht behoorlijk parten heeft gespeeld. Er kwamen nog twee kinderen bij: in 1969 werd onze dochter Maura geboren, in 1975 gevolgd door zoon Remke.

Nu we getrouwd waren, zou de samenwerking tussen Jan en mij wel eens kunnen worden uitgelegd als belangenverstrengeling. Na een gesprek hierover met het hoofd van de afdeling Communicatie (mijn officiële opdrachtgever) kreeg ik toestemming om mijn werk voor de Gasunie voort te zetten. Er moest alleen niet te veel bekendheid aan worden gegeven. Rekeningen diende ik voortaan in via drukkerijen, reclamebureaus en collega’s. Jan en ik lieten ons zakelijk partnerschap registreren bij de Kamer van Koophandel onder de bedrijfsnaam Design Combination Saen (vanwege ons beider band met de Zaanstreek). Voor mij zou dit echter tot gevolg hebben dat ik helemaal in de anonimiteit verdween.

Het begin van een bedrijfsstijl
Bij de Gasunie was toen nog geen sprake van een huisstijl. Er werkten ook andere ontwerpers voor de Gasunie en aanvankelijk kregen deze alleen het logo aangereikt, zonder typografische of andere voorschriften, zoals het lettertype. Er ontstond een wildgroei aan grafische uitingen. Ik kreeg opdracht een rapport te schrijven over de minimale voorwaarden waaraan het drukwerk volgens een huisstijl moest voldoen. Aangevuld met enkele praktische voorbeelden mocht ik een A5 boekje laten drukken dat werd verspreid onder de verschillende afdelingen. Aansluitend daarop kreeg ik opdracht ook richtlijnen op te stellen voor andere disciplines: beletteringen, installaties, tentoonstellingen, enz. om uiteindelijk te kunnen komen tot een handboek waarin alle facetten van de bedrijfsstijl konden worden opgenomen. Alles moest soberheid uitstralen.

Greep uit drukwerk met de bedrijfsstijl van de Gasunie, 1970-1980

De druppel
Onze vier kinderen zorgden altijd wel voor voldoende reuring, waardoor ik de eenzaamheid van het wonen in de Drentse bossen, waar we na een verhuizing waren terechtgekomen, eerst niet als hinderlijk heb ervaren. Ieder vrij moment zat ik achter mijn tekentafel, want de hoeveelheid werk die de Gasunie mij toeschoof was gigantisch. Zelfs in het kraambed lag ik nog drukproeven te corrigeren.

Op het hoofdkantoor in Groningen kwam ik nooit. De medewerkers met wie ik samenwerkte, kwamen altijd bij ons thuis voor werkbesprekingen. Soms kreeg ik enkele exemplaren van een boekje of kalender waar mijn naam in stond; in de echte oplage stond dan geen ontwerper vermeld. Langzaam maar zeker begon die eenzame anonimiteit me toch wel te storen. Zeker ook omdat ik de brieven mocht lezen waarin de heer Visser gefeliciteerd werd met weer een prachtige uitgave die ik naamloos had gemaakt.

Het dieptepunt kwam eind jaren zeventig. Na de wat turbulente totstandkoming van een boekje beloofde Jan een etentje te geven voor alle in- en externe medewerkers die hieraan hadden meegewerkt, vergezeld van hun echtgenotes. Voor dit boekje had ik foto’s gebruikt van Dolf Kruger, die in Zweden woonde en die ik uit mijn jeugd kende. Ik verheugde me erop Dolf en zijn vrouw weer te zien. Achteraf hoorde ik dat het een gezellig etentje was geweest. Ik was niet uitgenodigd – niet als ontwerper, niet als echtgenote. Dit deed voor mij de deur dicht. Dit had niets meer te maken met vermeende belangenverstrengeling, hier was iets heel anders aan de hand. 

Al vaker was het voorgekomen dat Jan mij weghield bij gelegenheden waarbij hij verwachtte dat ik meer aandacht zou krijgen dan hij. Het gevolg was wel dat ik steeds meer de behoefte voelde om er tussenuit te knijpen. Dan bracht ik mijn kinderen bij mijn ouders en zocht in Amsterdam vrienden en collega’s op. Zo lunchte ik op gezette tijden met Wim Crouwel en dan praatten we uitgebreid over ons werk. Met dat etentje was voor mij echter de grens bereikt. Dat ik binnen ons huwelijk een soort ontwerp-robot voor Jan Visser was geworden kon ik niet langer accepteren. Ik vertrok uit de echtelijke woning met de twee jongste kinderen en mijn tekentafel. Ik verhuisde naar Wijdenes in West-Friesland, vlakbij mijn ouders.

Presentatie bedrijfsstijl
Het werk ging gewoon door. Na de echtscheiding moest alleen een neutrale plek worden gevonden voor de werkbesprekingen. Otto Treumann stelde hiervoor zijn atelier beschikbaar.

Op 24 oktober 1983 werd in Groningen dan eindelijk de uitgebreide bedrijfsstijl gepresenteerd aan het leidinggevende personeel van alle afdelingen. De eerste bedrijfsstijl van de N.V. Nederlandse Gasunie was geheel van mijn hand – een vrouwenhand. Over een periode van achttien jaar zou ik in mijn eentje voor dit grote concern, de nationale energieleverancier, bijna tweeduizend toepassingen realiseren.

Het hoofd Communicatie gaf Jan na afloop van de huisstijlpresentatie de opdracht mij te interviewen en dit te publiceren in het personeelsblad Gasuniek, zodat al het personeel zou weten dat zij voor de spin-offs met mij te maken zouden krijgen. Jan negeerde deze opdracht van zijn directe baas. Hij publiceerde een interview met Otto Treumann over de Tweede Wereldoorlog en zette hem terloops neer als de hoofdontwerper van de bedrijfsstijl. 

En zo kwam het dat deze prachtige opdracht, die de kroon op mijn werk had moeten zijn, door een rancuneuze voormalige echtgenoot werd weggeschoven tussen het werk van een ander. Dat ik na mijn echtscheiding te maken zou krijgen met wraakacties, daar had ik wel op gerekend. Dat hij mijn inspanningen zou bagatelliseren en min of meer zou ontkennen behoorde tot de mogelijkheden. Maar dat iedereen het allemaal domweg accepteerde, dat vond ik meer dan schokkend. Kennelijk had men nog steeds grote moeite te geloven dat een vrouw dit werk onder eigen verantwoordelijkheid gedaan kon hebben. De emancipatie had nog een lange weg te gaan.

In 1987 vonden in Amsterdam de gezamenlijke congressen plaats van drie wereldomvattende design-organisaties. In het Stedelijk Museum werd hieraan een grote manifestatie gekoppeld: Holland in Vorm. Er waren twee vitrines geheel gevuld met mijn beste werk voor de Gasunie. Op het tekstbordje stond: ‘Ontwerp Otto Treumann’. Dit terwijl de samenstellers beter wisten: ik had samen met de conservator een bruikleencontract opgesteld en ondertekend. In het begeleidende boek geen woord over de Gasunie, ondanks contact vooraf met het redactieteam.

Brochure Drukkerij Gestel, Eindhoven, 1987

Logo Stichting Incest, Werkgroep afdeling West-Friesland, 1988

Logo Vrede en Internationale Samenwerking, een samenwerkingsverband tussen de gemeente Hoorn en enkele steden in Tanzania. Een zwarte vis zwemt de witte wereld binnen, een witte vis de zwarte wereld, 1989

Logo, Stichting Woningbouwbelangen Harenkarspel (onderdelen huisstijl na een fusie van drie gemeentes), 1991

Het einde?
Bij toeval hoorde ik dat Jan Visser met de VUT was gegaan en dat de Gasunie al zijn interne en externe werkzaamheden had beëindigd. Ook de huisstijl, nog middenin de uitwerkingsfase, werd gestopt. Van de ene op de andere dag zat ik zonder werk, hoewel ik nooit officieel bericht heb gekregen dat mijn werkzaamheden werden beëindigd. Ik wist dat bij de Gasunie regelmatig bedrijven hadden aangeklopt die contact zochten met de ontwerper van hun huisstijl, maar toen kon ik er geen grote klussen bij hebben. Ik vroeg de Gasunie of er nog adressen van geïnteresseerden bij hen bekend waren. Men zei dat er wel zo’n bestand was geweest, maar dat was door Jan meegenomen omdat hij zijn eigen adviesbureau was begonnen (om opdrachtgevers aan ontwerpers te koppelen). Met mijn werk in zijn portefeuille en de namen van andere ontwerpers. Niemand die het zou merken, mijn naam stond toch nergens in. Ik voelde me of ik uitgewist was, of ik nooit had bestaan. Ik zocht Jantien Peeters van de GVN op om te zien of hier iets aan te doen was. Nee dus.

Jaarverslagen Koninklijk Instituut voor de Tropen (logo en huisstijl door Ben Bos en Michel van der Sande, Total Design), 1989 en 1992

Opnieuw beginnen
Nederland bevond zich toen, net als nu, in een economische crisis. Budgetten werden naar beneden bijgesteld of helemaal geschrapt. Ik besloot tijdelijk iets heel anders te gaan doen. Ik ben een tijdje colleges gaan geven aan de afdeling Communicatie van de HEAO in Utrecht, waarbij de relatie tussen de opdrachtgever en de creatieven centraal stond, met mijn eigen werk als uitgangspunt.

Jaarverslag First Ukrainian Bank, Donjetsk, 1993

Jubileumaffiche 50-jarig bestaan van de Nederlandse Genealogische Vereniging. Een combinatie van een boom en een wegwijzer, 1995

Affiche CUNA, Chili voor AbvaKabo. Inzamelingsproject voor slachtoffers van het Pinochet regime, 1994

Na twee jaar had ik voldoende opdrachten bij elkaar gesprokkeld om met het college geven te durven stoppen. Het Filmmuseum, inmiddels verhuisd van het Stedelijk Museum naar het Vondelpark, had me opnieuw weten te vinden. Verder werkte ik voor de Vredesbeweging West-Friesland, voor het CUNA-project (een inzamelingsactie voor slachtoffers van Pinochet in Chili), het jaarverslag voor een bank in de Oekraïne, een logo voor een samenwerkingsverband tussen Hoorn en enkele plaatsen in Tanzania. Het was allemaal heel internationaal, heel sociaal bewogen, maar het werd nooit meer een vetpot. Door toedoen van Ben Bos kon ik wat huisstijlwerk overnemen van Total Design, o.a. voor het Tropeninstituut. Deze hernieuwde kennismaking met mijn vroegere werkgever TD had tot gevolg dat ik voor mijn werktekeningen gebruik mocht maken van de Aesthedes, de eerste ontwerpcomputer en toen het paradepaardje van Total Design. Een belevenis. Er was heel wat veranderd sinds ik de eerste schetsen van Wim zijn computeralfabet had uitgewerkt.

Logo Carrot Software BV (onderdeel huisstijl), 1997

Mijn dromen kwamen uit
Eigenlijk zijn al mijn jeugddromen uitgekomen. Ik heb 45 jaar carrière gemaakt, waarvan bijna veertig jaar als kleine zelfstandige met een eigen studio en een volwaardig inkomen en ik heb het altijd kunnen combineren met de zorg voor opgroeiende kinderen. Ook een eigen huis had ik vóór mijn dertigste. Over het algemeen heb ik weinig te mopperen dus. Jammer alleen dat de strijd voor de vrouwenemancipatie zo moeizaam is verlopen.

Redactie krant ‘40+’ van oud-leerlingen van het IvKNO voor mijn huis in Wijdenes. Met Daan Schiff, Karel Berkhout en Jef Koning, 2001. Foto Jef Koning

Sinds 2007 woon ik in een bijzonder project voor ecologisch wonen in Almere, vlakbij de Oostvaardersplassen. Het idealisme dat daaraan ten grondslag ligt, brengt me weer terug bij mijn wortels. Een huis tegen een bosrand, met in het voorjaar het gezang van de nachtegaal, biedt me een ideale omgeving om me te kunnen concentreren op nog enkele mooie opdrachten. Vorig jaar ontwierp ik nog een logo voor het bedrijf van een van de medebewoners. Gelukkig heb ik ook weer tijd om me zo nu en dan naar Amsterdam te begeven en collega’s te ontmoeten in het Stedelijk Museum of bij de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Ik heb een kleinzoon, Amar van 24, en een kleindochter, Zozan van zeven.

Auteur: Anneke Huig, december 2014
Eindredactie: Sybrand Zijlstra
Portretfoto: Aatjan Renders