Frans Spruijt

Frans Spruijt (1923-2009) stond bekend als een betrokken drukker die kwaliteit leverde en iemand die altijd in was voor bijzondere projecten. Bijvoorbeeld de opmerkelijke reeks Spruijt-kalenders, de tentoonstellingen in de drukkerij en tal van publicaties waarbij hij nauw betrokken was. Bovendien was hij door de jaren heen gewaardeerd adviseur en bestuurslid van vele organisaties. Titus Yocarini sprak met hem over al deze activiteiten en zijn bijzondere aandacht voor perfect zetwerk en vernieuwing in de vormgeving.

Frans Spruijt – 1975

Bij ons tweede gesprek ligt op de bank naast Frans Spruijt het fotoboek van Pieter Boersma dat werd gesubsidieerd door het Charemafonds voor Geschiedenis en Kunst. Wim Vroom, voormalig hoofd van de afdeling Geschiedenis van het Rijksmuseum en net als Frans bestuurslid van dit fonds, kwam het zelf brengen. ‘Het is het enige clubje waar ik nog lid van ben. Het fonds geeft subsidies voor documentaire fotografie. Fantastisch gedrukt bij Spruijt, ziet er prachtig uit.’ Frans zegt het met enige trots, alsof hij zelf nog aan de pers stond. ‘Ik kan nogal aardig rekenen en voor het Charemafonds bekijk ik of we niet bedonderd worden in de calculaties bij de subsidieaanvragen.’

Van boekdruk naar offset
Frans werd geboren in 1931 op de Oudezijds Voorburgwal, waar de drukkerij door zijn grootvader in 1906 was gesticht. Vandaar keek je uit op de Lange Niezel. Uit het raam kon je zien hoe dronken mensen uit de kroeg geschopt werden. Op straat liepen toen nog Chinese vrouwen met ingebonden voeten. Zijn eerste herinneringen aan het bedrijf van zijn vader zijn uit 1944. Drie mensen van uitgeverij de Bezige Bij stonden bij de snelpers. Een ervan was Geert Lubberhuizen, herinnert Frans zich nog. Het was een kleine drukkerij en natuurlijk werd alles nog in boekdruk gemaakt. Later verhuisde het bedrijf naar Oudekerksplein nummer 82. 

Op twintigjarige leeftijd ging Frans na een mulo opleiding en de grafische school zelf het bedrijf in. In die tijd werd het zetsel nog bij een bedrijf met een Monotype installatie gehaald, dat ook voor de voorraad van de handletterkasten zorgde. De kwaliteit van het zetwerk was ook toen een heel belangrijk uitgangspunt voor Drukkerij Mart.Spruijt om kwalitatief hoogstaand drukwerk te kunnen leveren. Frans zette de eerste stappen op het gebied van fotografisch zetten en offset. De eerste offsetmachine was een Heidelberger cilinderautomaat met vochtwerk, een KORD. ‘Ik hoorde bij de eerste groep drukkers die op offset overgingen, hoewel onze pers nog niet als een echte offsetpers werd gezien. In 1965 namen we offsetdrukkerij Schreuder over, die in de Elementenstraat zat. Dat bedrijf redde het niet meer met alleen boekdruk, zoals zoveel drukkers in die tijd. Offsetdrukken haalde heel wat weg bij de traditionele drukker. Maar Schreuder was te laat met de omschakeling naar offset.’  Zo kwam drukkerij Mart.Spruijt in de Elementenstraat terecht, op een industrie-terrein in Amsterdam-West. Frans zag in de grootste klant van Schreuder, de KLM, de mogelijkheid om zijn opdrachtenpakket uit te breiden. Hij werkte tot dat moment voornamelijk voor reclamebureaus als Walter Thompson.

Nieuwbouw Drukkerij Mart.Spruijt, Dynamostraat Amsterdam – 1983

Voor de KLM werden formulieren gedrukt op de Heidelberger met spaarmantel, die werkte met papieren platen. Het zetwerk werd gewoon met een IBM composer – ‘met het intelligente bolletje’ – gemaakt. Dat ging snel en goed. Daarom kwam ook verffabrikant Sikkens als klant om hun handboeken te laten drukken. Voor dat soort drukwerk konden ze een heel acceptabele kwaliteit leveren. Terwijl er bij de traditionele boekdrukker maar één kwaliteit voorop stond, met lange levertijden, konden er in offset snellere en goedkopere oplossingen worden geboden, met kwaliteit. Maar de meeste drukkers waren in die naoorlogse periode niet geïnteresseerd in goed drukwerk. Er was erg veel vraag en dat stimuleerde niet de inzet om iets aan het kwaliteitsniveau te doen. Veel collega’s hadden geen Monotype en kleinoffset werd niet voor vol aangezien.

Drukkerij Mart.Spruijt heeft in de opbouwperiode van Nederland na de Tweede Wereldoorlog enorm geprofiteerd van het elan en de economische ontwikkeling die er ontstond. Dat waren gouden tijden. De drukkerij heeft de ambitie gehad om te investeren in technisch en esthetisch goed verzorgd drukwerk. ‘Ik heb ook bedrijven de boot zien missen, zoals drukkerij Trio, een prachtig bedrijf dat aan de wet van de remmende voorsprong jammer genoeg failliet ging.’ Gevraagd naar de toekomst van het drukkersvak vanuit het perspectief van 2007 wil Frans één uitspraak doen: ‘De kwaliteit van fotokopieën zal zo goed worden dat die de toekomst van ons vak gaat bepalen.’

De kalenders van Spruijt
Naast zijn vakmanschap en een goede neus voor technische ontwikkelingen was Frans Spruijt zich er al heel vroeg van bewust dat je als drukker ook een belangrijke rol speelde als adviseur. Zeker als het ging om zetwerk, maar ook als het ging om ontwerpen. De eerste contacten met grafisch ontwerper Harry Sierman ontstonden via diens broer Paul, die lid was van dezelfde roeivereniging als Frans. Frans maakte net als zijn vader elk jaar een kalender voor relaties, die Harry Sierman tot de volgende ontboezeming bracht: ‘Als je zulke mooie letters in huis hebt als de Futura en de Romulus, waarom maak je er dan zulk klotedrukwerk mee?’ Het antwoord van Frans was eenduidig: ‘Doe het zelf dan maar beter.’

En zo ontwierp Harry Sierman de eerste in een lange reeks prachtige en spraakmakende kalenders voor Spruijt. Daarmee werd de traditie van Jacques Nuiver, ontwerper voor onder andere Philips, voortgezet. Deze ontwierp voor de Tweede Wereldoorlog kalenders voor de vader van Frans.  ‘Een goede kalender met een bijzonder kalendarium hangt een heel jaar lang bij de klant. Een fantastische vorm van pr’, volgens Frans. ‘Ach, en hoe gaat dat dan. In het begin interesseert je die vormgeving geen donder, maar als Harry Sierman het goed doet en je krijgt dan ineens een prijs voor je kalender… Ja, allemaal ijdelheid en geiligheid, maar dan ga je erop letten. Je ziet ander werk. En na drie prijzen voor die kalenders werd ik meteen bestuurslid gemaakt van het Gerrit Jan Thiemefonds.’ 

De kalenders hadden behalve de bijzondere vormgeving nog een ander opvallend kenmerk: ‘Ze kwamen vaak te laat uit. Dat lag een beetje aan mij en een beetje aan Harry. Daar is een soort traditie uit ontstaan, dat ons kalenderium altijd begon op 1 april in plaats van 1 januari.’

Kalender 1969-1970, vormgeving Jan van Toorn

Na de reeks van Harry Sierman, van 1956 tot 1960, leerde Frans Jan van Toorn kennen, die op dat moment werkte voor spelletjesfabrikant Haussemann & Hütte. Het was het begin van hechte samenwerking en van een serie kalenders die collectors items werden en niet meer aan de muur hingen. In het begin ontwierp Jan van Toorn mooie kalenders voor Spruijt en verwachtte daarmee te voldoen aan de wensen van zijn opdrachtgever, maar Frans vond het belangrijk dat Jan zou maken wat hij zelf wilde. Dit leidde tot opmerkelijke resultaten. Frans herinnert zich een kalender met een gat erin en een thuiswerker die met vinger en lijmpot het ronde kalendarium vast moest plakken. Het maken van die kalenders liep altijd uit de hand. ‘Dus bleven we maar te laat uitkomen. We trokken er natuurlijk ook extra aandacht mee.’

Kalender 1972-1973, vormgeving Jan van Toorn
Kalender 1976-1977, vormgeving Jan van Toorn

Later kreeg Jan van Toorn opdrachten van Jean Leering, die directeur was van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Die opdrachten hadden ook invloed op zijn werk voor de kalenders van Spruijt. Frans noemt de fotografie van het Duitse echtpaar Bernd en Hilde Becher, die hij terugzag in de foto’s van Belgische huizen die Jan samen met Geertjan Dusseljee maakte voor een van de kalenders. ‘We drukten die zo slecht mogelijk om de chagrijnigheid van die huizen over te brengen. Ook de afwerking was zo simpel mogelijk. Mooi maken kan iedereen, maar iets troosteloos tot uitdrukking brengen, is niet zo makkelijk.’

 ‘Over één kalender kreeg ik enorme ruzie met Dolf Stork, directeur van de Stadsdrukkerij van Amsterdam. Jan van Toorn had Moshe Dayan, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken van Israël, in de kalender van 1974 afgebeeld met een havik op zijn hoofd. Dat werd door Stork gezien als een actie tegen Israël. Ook ontwerper Otto Treumann nam stelling en wilde nooit meer een voet over de drempel van Drukkerij Mart.Spruijt zetten. Een kalenderpagina met een fotomontage van de hoofden van Beatrix en Claus op de lijven van Juliana en Bernhard ging Frans zelf te ver, zodat het betreffende kalenderblad uiteindelijk blanco werd gelaten. Met zijn enorme kennis van typografie en zetwerk droeg Frans aan Jan van Toorn heel veel vakkennis over. Zo leerde Frans hem kleinkapitalen spatiëren. Hun samen-werking aan de kalenders hield na 19 afleveringen op. ‘Ik had het moeilijk met de politieke kant die Jan met zijn onderwerpen op ging’, zegt Frans daar nu over.

(N)Ooit bij stil gestaan, vormgeving Paul Mijksenaar en Henri Baudet – 1988

Na de kalenders van Jan van Toorn maakte Paul Mijksenaar een nieuwe serie voor Spruijt. Frans genoot ontzettend van de contacten met Paul. Nooit bij stilgestaan (1985/1986) was zijn vierde, die volgde op kalenders over beeldmerken, gebruiksaanwijzingen en kaarten. Deze kalender had als thema dagelijkse gebruiksvoorwerpen, waarvan we de herkomst van het ontwerp – als er al een ontwerper aan te pas gekomen was – niet kennen. Later volgde nog een boekje Ooit bij stilgestaan, waarin met de kennis van Henri Baudet, hoogleraar in het vak mens-productrelaties aan de TU Delft, die herkomst uit de doeken werd gedaan. ‘Die man wist echt alles over bijvoorbeeld de kurkentrekker. Na een bespreking zou ik hem een keer de weg wijzen om Amsterdam uit te komen. Rij maar achter mij aan, had ik gezegd. Maar hij is achter een andere Volvo aangereden.’ Latere kalenders werden door Toon Michiels, Hard Werken/Studio Dumbar/Anthon Beeke bedacht. André Toet en Marianne Vos van Samenwerkende Ontwerpers maakten de laatste die onder verantwoordelijkheid van Frans Spruijt werd uitgebracht. 

Erotika kalender 1988-1989,
vormgeving Hard Werken, Studio Dumbar en Anthon Beeke & Associates

Naast de kalenders stond Drukkerij Mart.Spruijt ook bekend om de tentoon-stellingen die werden gehouden in de drukkerij. Een kleine commissie, bestaande uit Tijmen van Grootheest, Jan Kohlman, Jan van Toorn en Frans zelf, stelde zo’n tien tentoonstellingen samen voor in de drukkerij. Selma Klein Essink deed de redactie en organisatie. De eerste tentoonstelling ging over het werk van Jan van Toorn. Daarna volgde er een over geschilderde affiches van het kunstenaarscollectief V2 en een over het tijdschrift Visible Language. Vormgeving en muziek, Belgische vormgevers en het werk van Narcisse Tordoir staan Frans als bijzondere presentaties nog voor ogen. De publicaties bij een aantal van die tentoonstellingen waren bronnen van inspiratie.

Visible Language – 1985

Frans Spruijt heeft in een uitgave van het Gerrit Jan Thiemefonds, Het ontwerpproces. Grafisch ontwerpers en hun opdrachtgevers (1986), gezegd hoe belangrijk hij het vond om ontwerpers de ruimte te geven om als maker van de kalender buiten hun eigen handschrift te treden en te proberen nieuwe vormen in beeld en typografie gestalte te geven. Voor die typografische probeersels wilde drukkerij Mart.Spruijt een podium bieden. Frans denkt dat het een grafisch ontwerper gegeven is door een duidelijke manipulatie met beeld, ontroering, woede, gelach of schrik op te roepen. Kortom: emotie. Nuchter voegt hij eraan toe dat er geen misverstand mag bestaan over de kalender als gebruiksvoorwerp, die beschreven mag worden en op iedere plaats mag hangen, ook op het toilet.

Vooroplopen met zetwerk en opmaak
In 1983 ging de nieuwbouw van Drukkerij Mart.Spruijt in de Dynamostraat open, een uiterst modern bedrijf, waarin de prepress werd gedaan met de meest geavanceerde elektronische apparatuur. De opdrachten kwamen voor het grootste deel uit het bedrijfsleven. Mede vanwege de kalenders en de tentoonstellingen kende de kunstwereld Spruijt als een betrokken drukker die kwaliteit leverde, maar in de brochure Zetten en drukken (1987) werd een misverstand rechtgezet: ‘Toegegeven we drukken affiches, jaarboeken en jaarverslagen voor instellingen die werkzaam zijn in de beeldende kunst; niet te ontkennen, maar minstens zo belangrijk zijn de brochures, folders en jaarverslagen voor particulieren, instellingen en bedrijven.’ Frans doet hier zelf nogal laconiek over: ‘Zaken doen, daar was ik helemaal niet mee bezig. Dat deed je er gewoon bij. Bij Sikkens hoorde ik eens dat zij vonden dat er in hun vakgebied altijd één de duurste moest zijn. Dat heb ik natuurlijk wel onthouden.’

Zetten en drukken, vormgeving Haico Beukers – 1987

Opdrachtgevers konden in elk geval rekenen op een bedrijf dat in het fotozetten voorop liep. Acht opmaakstations van Berthold zorgden voor perfect zetwerk. Of Frans’ grote belangstelling voor het zetten door zijn stage nu bij drukkerij Duwaer is gewekt (in 1948) of door zijn contacten met vormgevers, dit was zijn grootste interesse. Met de ellende van de boekdruk nog fris in het geheugen – waarbij je wel duizend vierkante meter voor opslag en verwerking nodig had – kon Frans met het Berthold zetsysteem op tien vierkante meter ook perfect zetwerk leveren, maar wel veel sneller. ‘En daar waren we heel goed in. De letters van Berthold waren zwaarder aangezet, waardoor je in druk geen grijs beeld kreeg zoals bij de andere fotografische zetsystemen.’

Frans ging met Dolf Stork naar Berlijn om zich het fotografisch zetten eigen te maken. De Stadsdrukkerij van Amsterdam en Drukkerij Mart.Spruijt waren de eerste gebruikers van het DiaType zetsysteem van Berthold. Op zaterdagen maakte Franszich de techniek verder eigen. ‘Ik dacht dat we alles perfect geregeld hadden, maar het ontwikkelen van de films moest je zelf leren. Zelfs GTI kon ons niet helpen. Zo ontdekten we het voordeel van het gebruik van stalen bakken bij het ontwikkelen van de films, omdat die de warmte beter geleidden.’

Berthold, vormgeving Ton Limburg – 1984

Drukkerij Mart.Spruijt maakte zelf een informatieve brochure over alle ins and outs van het zetten en opmaken met Berthold, ontworpen en geschreven door grafisch ontwerper Ton Limburg. Vijftien lettertypes van de 1200 die Berthold voerde, werden met zorg uitgekozen. Het gebruik van de millimeter in plaats van het twaalfdelig stelsel van cicero werd aanschouwelijk gemaakt. Later volgden een zuivere maatlat en een zuiver schetsblok in millimeters voor ontwerpers.

 ‘Op een boek dat we voor de Bankgirocentrale maakten, waarin alle automatische betalingen foutloos werden gezet, was ik apetrots. Een kick op zich. Het zag er misschien niet esthetisch uit, maar het was wel een staaltje vakmanschap. Maar Berthold en dat hele prepressgebeuren bestaan nu niet meer.’

In de letterproef die de drukkerij uitbracht op basis van een opzet van letter-ontwerper Gerard Unger, werd het rijke letteraanbod in een hele mooie vorm van Chris Vermaas in beeld gebracht: een blauwe plastic doos met acht pagina’s voor elke letter, gebonden met een cahiersteek. Door de hele letterproef heen loopt een vervolgroman van Jan Willem Holsbergen. ‘Een enige man, vol met practical jokes, die de boel goed kon belazeren. Ik kende hem van de Gerrit Rietveld Academie. Hij was geloof ik getrouwd met een Rietveld. Zijn boekje Zakenmensen, eerlijk als goud is een echte aanrader.’

Letterproef, vormgeving Gerard Unger en Chris Vermaas – 1984

Kennis en contacten
De contacten in het culturele veld kwamen volgens Frans Spruijt vanzelf. ‘Je zag mooie dingen, je ontmoette leuke, enthousiaste mensen en daar kwamen dan weer leuke opdrachten uit voort.’ Zo leerde hij Thijs Asselbergs kennen, die in 1982 samen met enkele bevriende architecten het vormgevingsblad Items had opgericht. ‘Die jongens hadden geen cent te makken. Dus hebben we dat blad geadopteerd. Zo kom je vanzelfsprekend in contact met mooie ontwerpen. Toen ik later een stok nodig had, heb ik een wandelstok gekocht die in Items stond, een ontwerp van Ruud Jan Kokke.’

 ‘Of die prachtige ontwerpersagenda van [Z]OO Producties, die dreigde de mist in te gaan. Ik heb toen voor elkaar gekregen dat een twaalftal drukkers die agenda zou adopteren. Hij bestaat nog steeds.’ Door al zijn contacten in de wereld van ontwerpers en kunstenaars ging Frans’ adviesrol vaak veel verder dan goed zet- en drukwerk. ‘Ik werd wel eens door een bedrijf om advies gevraagd. Soms ging het om mensen die iets beters wilden. Zo stelde ik een keer het GAK voor hun sociaal jaarverslag het thema ‘vakantie’ mee te geven. Je ziet in die bedrijven altijd al die ansichtkaarten hangen van collega’s, met de boodschap: wij zitten lekker in de zon en jullie klooien maar verder op je werk. De directie van het GAK vond het een aardig idee, maar er mochten alleen GAK vakantiehuisjes in. Niet te geloven!’ 

Door verschillende functies binnen het Koninklijke Verbond van Grafische Onder-nemingen (KVGO), leerde Frans zijn collega’s kennen en was hij goed op de hoogte van wat er zich allemaal in het vak afspeelde; of het nu om de onderwijscommissie ging of de examencommissie Calculator. Later had hij ook vanuit zijn lidmaatschap van de redactieraad van Drukkersweekblad en van het Kerstnummer Grafisch Nederland een geweldig inzicht in de drukkerswereld. 

Onder andere vanuit zijn bestuursfunctie van het Gerrit Jan Thiemefonds kreeg Frans bijzondere publicaties voor elkaar. Zo maakte Piet Schreuders in 1977 met zijn boekje Lay-in, Lay-out furore. ‘Een godsamme zeldzaam moment, die presentatie op de Rietveld Academie, waar Piet het in zijn hoofd haalde om op het podium als protest een affiche van grafisch ontwerper Wim Crouwel te verscheuren. Het zweet liep me over de rug.’ In het pamflet, waar later nog een herdruk van verschenen is, verzet Schreuders zich tegen de Zwitserse typografie, die – zo het al iets voorstelde – al snel afgleed naar de pseudoreligie waar de wereld volgens hem onder is gaan lijden. Hij zag Wim Crouwel als de verpersoonlijking van de functionalisten, tegen wie hij zich afzette. Wim Crouwels eigen ontwerpen noemde Schreuders ‘persoonlijk, origineel, tijdgebonden en lelijk’.

Een andere uitgave waarbij hij nauw betrokken is geweest, is Dick Elffers & de kunsten. Een leest heeft drie voeten (1989): ‘Het boek over de ontwerper Dick Elffers móest er komen, maar het werd wel een schip van bijleggen.’ Een uitspraak die Frans Spruijt misschien wel het meest typeert. Hij was zo betrokken bij kunst en vormgeving, dat hij zich enorm inspande om belangrijke publicaties voor elkaar te krijgen, ook al werd er soms niets aan verdiend. De symbolen die Gerd Arntz in linoleum sneed voor de beeldstatistiek van Otto Neurath leverde een prachtige bundel met honderden symbolen op, in ordner vorm uitgegeven door Drukkerij Mart.Spruijt zelf: Symbols for education and statistics: 1928-1965 (1979) ‘Dat heeft me veel geld gekost’, zegt Frans daarover. ‘Maar het was een schitterende uitgave. Fantastisch toch, als je dat soort leuke dingen voor de mensen kunt maken?’

Het Gerrit Jan Thiemafonds was ingesteld voor de bevordering van kennis en schoonheid in de grafische vakken. Zo werden er door dit fonds ook ieder jaar kalenders en jaarverslagen bekroond. Het was opvallend dat in de jaren zeventig steeds weer dezelfde opdrachtgevers, ontwerpers, lithografen en drukkers in de prijzen vielen. In 1980 ontstond over de zin en onzin van die prijzen in het vak een discussie. Frans had daar een uitgesproken mening over. Het moet niet alleen meer gaan over goed verzorgde bibliofiele uitgaven, speciale kalenders of een bijzonder jaarverslag. Alleen maar mooie drukwerken bekronen vindt Frans de dood in de pot. Wel graag bekroningen voor originaliteit, voor de mensen die nieuwe wegen zoeken. Hij vraagt zich af, waarom er geen prijzen gegeven kunnen worden aan de uitvinder van de Bulkboeken of voor een goede reisbrochure of voor de weekendbijlage van NRC Handelsblad.

Typografische maatlat, Drukkerij Mart.Spruijt en Ton Limburg GVN – 1986

Ook over de jaarlijkse bekroning van de vijftig bestverzorgde boeken spreekt Frans zich uit: ‘Natuurlijk is het leuk om mooie boeken een prijs te geven, maar ik pleit eerder voor een eerste prijs voor het woordenboek van Van Dale of voor een goed kookboek dat heel moeilijk is om te laten maken.’ En over prijzen gesproken: aan Frans zelf werd de eerste Grafische Cultuurprijs uitgereikt, een prijs voor een persoon of organisatie die zich verdienstelijk heeft gemaakt voor de grafische cultuur in Nederland en die als het ware voor hem bedacht is. In 1991 werd Frans de eerste voorzitter van de Grafische Cultuurstichting. Hij organiseerde excursies naar drukkerijen die nieuwbouw hadden gerealiseerd. ‘Niet alleen de architectuur is belangrijk, maar ook of je in een goede omgeving werkt. Drukkerij Lecturis van collega Henk van Stokkom is een goed voorbeeld. Het gebouw en het gebruik zijn goed op elkaar afgestemd. Soms zag je veel teveel vormgeving. Als de vorm zo belangrijk wordt, dan krijg je een kolere-visuele herrie, dan hoeft het voor mij niet meer.’

 ‘Ik vind dat we het bij Spruijt goed gedaan hebben. Een gebouw neerzetten dat flexibel te gebruiken is, want je weet nooit hoe het vak zich ontwikkelt en wat de toekomst je brengt. Nu zou ik alleen nog maar huren.’ Ook volgden er reizen naar het buitenland met collega’s. Cultuur en het vakgebied waren aanleiding om vele excursies te ondernemen. Frans werd daartoe ook gestimuleerd door zijn lidmaatschap van de redactie van het architectuurtijdschrift Forum.

In 1988 nam Frans afscheid van zijn drukkerij. Hij verkocht het bedrijf aan Jan Kohlman, die om gezondheidsredenen na twee jaar het bedrijf verliet. Ton Hennis nam de drukkerij over, maar overleed drie jaar geleden op veel te jonge leeftijd. ‘Jaren heb ik geen contact meer met de drukkerij gehad. Voor het honderdjarig bestaan hebben ze me benaderd. Ik heb een leuk gesprek gehad en heb een aantal ideeën besproken. Ik heb toen gezegd dat je het jubileum ook best een jaar later kon vieren. Met de kalenders waren we immers ook altijd te laat. De belangstelling was er niet minder om.’

Frans Spruijt en Jan Kohlman – 1985

Auteur: Titus Yocarini, maart 2007
Eindredactie: Sybrand Zijlstra
Portretfoto: Aatjan Renders