Wim Crouwel

Wim Crouwel. Er is al ruimschoots gezegd en geschreven. Over hem, door hem. Zijn biografie (geautoriseerd) is een precisiemonument en reikt tot zijn zeventigste. Wat kun je, wat moet je dan doen, tien jaar nadien? In Roots, op twaalf pagina’s binnenwerk? Je snelt, je zapt door zijn leven.

Wim Crouwel in zijn Morgan, jaren zestig (foto Steye Raviez)

Groningen. Willem Hendrik Crouwel. Kind van zijn ouders, kleinkind van zijn grootouders. Op oma,opabezoek aan de Grachtstraat neemt hij geregeld de benen. Naar buurman Job Hansen. Die onder hanebalken huist. En er telkens hetzelfde uitzicht schildert. Op het Noorderplantsoen. In de geest van De Ploeg. Wim raakt bevriend met de zoon en  leert veel van de vader. Kijken, de blik verruimen. ‘De man is van grote invloed op me geweest’. Dat wordt met recht gezegd. Ook Crouwel zet zich aan de ezel, in de jonge jaren. Maar zelf schilderen, zelf aquarelleren, houdt geen stand. De liefde voor het schilderij beklijft. Wis en zeker. 

Job Hansen, Mijn schoorsteen, 1955

Van Abbe. Edy de Wilde trekt Wim Crouwel aan. Vers. Als vast ontwerper voor het museum. Affiches, catalogi, een aardige stroom per jaar. Van Abbe zit de tijd op de hielen en kent weinig rust. Crouwel legt zijn credo neer. Het museum staat voorop, niet de kunstenaar. Geen subjectieve vormen, stoelend op ideeën van de exposant, maar een helder, relevant, consistent systeem. Van ordelijke, ordentelijke, informatie. Zonder versiering, zonder populistische trekken. Edy, frequent ‘onder kunstenaars’, aarzelt, doch stemt toe. En de praktijk is minder streng dan de woorden opperen. Crouwel: ‘Eindhoven is, blijkt toch, een periode van zoeken’.

Van Abbemuseum Eindhoven, 1957 / Van Abbemuseum Eindhoven, 1958

Stedelijk. De Wilde volgt Sandberg op. Crouwel volgt Sandberg op. Willem Sandberg, directeur en huisontwerper. Een groter contrast is nauwelijks denkbaar. De gaande man is een dichter. In woord, in stijl, in vorm, in beeld. Emotie klatert, van iedere pagina. Komende Wim is anders. Rationeel, Zwitsers koel bijkans. De tamelijke speelsheid van Eindhoven verstrakt. Leidsels worden aangetrokken. Dat mag ook wel. De schaal van het Stedelijk is nu eenmaal  groter. Er zijn méér conservatoren met méér eigen wensen. Er zijn méér tentoonstellingen van méér kunstenaars. Het museum echter moet prominente eenheid bewaren.

Stedelijk Museum Amsterdam, 1967 / Stedelijk Museum Amsterdam, 1969

Stedelijk. ‘Edy is een ideale opdrachtgever’. En met de conservatoren komt het in orde. Ook met die eigenwijze, die praktisch alles beter weet, die zo prachtig weerwoord levert. Inderdaad: kordaat ontpopt zich de nieuwe stijl. Contrair aan Sandberg. Sober, ascetisch, documentair, ordenend, geordend. Het Stedelijk wordt gaandeweg SM. Desalniettemin raakt, zelfs hier en nu, niet alles gekneveld, roestvrijstaal gekooid. Lichtheid gloort, van tijd tot tijd. En, onder invloed van anderen, ontstaan nieuwe, afwijkende uitingsvormen. Agenda-affiches, institutionele plakkaten  als ‘Waar is Piet Mondriaan? altijd in Het Stedelijk’. Ze worden door Crouwel rap en bekwaam beetgepakt.

Overzichtstentoonstelling Stedelijk Museum Amsterdam, 1979

TD. Total Design, voluit. Licht optimistische naam: met het cluster ‘industrieel’ vlot het niet erg. Maar. Er is geen ontwerpbureau dat zich zo vroeg, zo overtuigd en zo overtuigend in de markt zet. Met zoveel talent aan boord. Dat maakt het niet altijd even gemakkelijk. Karakters botsen nu eenmaal. Ook. Crouwel -ontwerper, filosoof, boegbeeld, directeur- heeft er niet zelden de handen aan vol. Niettemin ontstaat een imposante stroom topwerk. Op Herengracht 567. Waaronder een legioen aan logo’s. Voor klinkende klanten. Van Auping en Groningen tot Rotterdam en WTC. En laten we zijn postzegels niet vergeten en het telefoonboek. Crouwel is 22 jaar bij TD.

Werkoverleg bij Total Design: Dick Schwarz, Friso Kramer, Benno Wissing, Ben Bos, Paul Schwarz en Wim Crouwel, 1963

Delft. TH, Technische Hogeschool. Crouwel is er een lustrum medewerker, sectie Industriële Vormgeving. Naast  zijn dagtaak bij TD, Total Design. Later vervult hij een onderwijsopdracht en wordt hij buitengewoon hoogleraar.  Aan de tussenafdeling. Ze houden hem vast, ter plekke.  Crouwel wordt prof. en vervolgens decaan. Industrieel Ontwerpen luidt ten tijde de roepnaam. En het blijft niet bij Delft. Rotterdam wenkt en benoemt. Aan de Erasmus:  bijzonder hoogleraar Kunst- en Cultuurwetenschappen. Het is geenszins vreemd: Crouwel is erudiet, maakt zich elke materie meester, zet de boel rank op een rijtje, betrekt tintelende stellingen, komt sonoor en grijpbaar naar voren.

Buitengewoon hoogleraar. Tussenafdeling Industriële Vormgeving, TH Delft, 1972

Boijmans. Wissels. De Wilde vertrekt, met grote parade. Wim Beeren vangt het stokje op. En dus heeft Boijmans een directeur van node. Er wordt driftig gezocht, maar het vinden lukt niet erg. Dan suggereert Joop Linthorst, wethouder, Wim Crouwel te solliciteren. Kan dat? Die is immers lid van de museale adviescommissie? Crouwel: ‘Ik heb me niet aangeboden, ik ben gevraagd’. Hij meldt zich en hij wordt benoemd. Is dat geen ontzettende overgang? Zo lang ontwerpen en nu een museum leiden? Valt mee. Crouwel weet wat besturen is, heeft ervaring opgedaan bij TD en in Delft. Tevens kent hij ‘b-vb’ van buiten en van binnen. Mensen, sterkte, zwakte. Een pre.

Afscheidstentoonstelling Boijmans Van Beuningen, 1993

Boijmans. Crouwel is geen Sandberg, geen durend doe-het-zelver. Hij haalt 8vo (octavo) aan boord, een jeugdig Brits ontwerpduo en geeft het ampele vrijheid. Slechts de Futura moet blijven. Crouwel richt zich op inhoud. Evenwicht tussen oude kunst en nieuwe. Verkokering van museale disciplines. Nieuwe expositieruimten. De komst van een hoogwaardige winkel. Het aankoopbeleid, onder meer van design. Enerverend is de opdracht aan Harald Szeemann: meng deelcollecties, op zaal. Dat inspireert, ook, conservatoren, brengt hen samen, doet schotten slechten. Blijvend. Evenzeer spectaculair is de verboden stad. Wim kan het niet laten, richt persoonlijk in.

Boijmans Van Beuningen. Inrichting tentoonstelling De Verboden Stad, 1990.

Letters. In al zijn vezels is Wim Crouwel typograaf. Met afkeur en met voorkeur. En een hoogst eigen alfabet: new alphabet.
Futura en Crouwel stammen uit hetzelfde jaar: 1928. Nee, liever geen Helvetica.
De Gill wordt tot Van Abbe toegelaten. Vorm, maatvoering, gradatie geven de doorslag.
De Stedelijke Univers is mooi, klaar, cognitief en zuinig.
De Zwitserse Akzidenz Grotesk ontberen we, in NL. Helaas.
De Garamond is een schone letter, maar niet alom bruikbaar.
Als het (dan toch) een schreefletter moet zijn: de Bembo.
new alphabet is voor deze eeuw, onderwijl.

Kwadraatblad new alphabet, Steendrukkerij de Jong & Co, Hilversum, 1967

2D3D. Het platte vlak is Crouwel op het ranke lijf geschreven. Het grafisch werk getuigt. Diepte is taboe. Perspectief daarbij. Hooguit mag begrensde ruimte worden voorgewend. Louter met kleur en typografische middelen. Toch begint Wim zijn loopbaan als inrichter van stands. Bij Enderberg. En vormt de derde dimensie een wezenlijk bestanddeel van zijn oeuvre. Pregnant, door alle jaren heen, doch onderbelicht. Ook de bijdrage aan het Neerlands paviljoen, in Osaka. Crouwel, recent: ‘Ik vind 3D heerlijk, het is mijn lust en mijn leven. Ik kan het blíjven doen, omdat Remco, mijn jongste zoon, me veel 2D uit handen neemt. Hij kan hoge resoluties aan, zware bestanden. En ik geniet.’

Stedelijk Museum Amsterdam, 1959

Van Gogh. Wie, wat, houdt hem nú van de straat? Rembrandt, o.a., de Vereniging. Die bestaat 125 jaar en zulks wordt gevierd. Met een memorabele exhibitie in het Van Gogh. Waarop, jazeker, 125 grote liefdes. Markante werken, Hollands en van elders, aangekocht met steun. Tot terugkeer en behoud. Peter Hecht is gastcurator en schrijft een boek dat leest als een roman. Wim richt in. Simpel is het niet, in dat ronde paviljoen. Schilderijen buigen niet, geven niet mee. ‘Dus zet ik er een rechthoekige doos in. En ik let heel scherp op combinaties en op zicht, doorzicht. En op lijsten. Die staan zelden in catalogi en op intranet. Terwijl ze desastreus kunnen zijn voor je ontwerp’.

Inrichting tentoonstelling 125 Grote Liefdes, Vereniging Rembrandt, Van Gogh Museum, 2008

Milder. De tijd vliegt, maar heus geen eeuwen geleden opent Wim de studio van Anthon Beeke. Keizersgracht. Hij staat bovenaan de trap, blikt neer, spreekt toe. ‘Geen opzet, echt niet, geen Olympus, het is gewoon zo gegaan’. Hoe dan ook, het moment is historisch. Crouwel – in nogal wat ogen: streng, straf, rigide – reikt aan, offreert nagenoeg, dat hij misschien wel erg loodrecht is geweest. In de leer. In de gang der jaren. Overigens is hij absoluut niet uit het veld geslagen. Allerminst. En hij brengt zijn nieuws op zijn eigen wijze. Welsprekend, welluidend, charmant, vol humor. Met een lach, die simultaan een glimlach is. Zo’n eerlijkheid is niet een ieder gegeven.

Opening studio Anthon Beeke, 2001
Wim Crouwel als docent grafisch ontwerpen

Auteur: Paul Mertz, November 2008
Eindredactie: Sybrand Zijlstra
Portretfoto: Aatjan Renders