Koos Staal

Ik werd geboren in 1951, in het Oost-Groninger dorp Meeden. Mijn vader bestierde onze bakkerij, moeder de winkel en daartussenin leefden we als gezin. Het was een gelukkige jeugd voor een kind dat graag tekende, gefascineerd was door geïllustreerde boeken, en later als puber, door de vrijmoedige vormgeving van Hitweek. Dat ik me als vijftienjarige aanmeldde voor een schriftelijke cursus lettertekenen kan achteraf gezien worden als een voorteken…

“Zo jongen, als jij hier in de klas liever zit te tekenen dan op mij en het bord te letten, dan maak je voor mij diezelfde tekening maar honderdvijftig keer. Inleveren over een week!” Dat was het buitenproportionele strafwerk van mijn leraar Duits, F.J. Kamminga, wegens het tekenen van een boot tijdens zijn les in 1964. 

Als dertienjarige had ik meer interesse in tekenen dan Duitse naamvallen. Het illustreert ook mijn moeizame relatie met gezag op de middelbare school in Veendam. Het beste van die schoolperiode vond ik dat ik daar Margriet ontmoette. Na het eindexamen in 1968 wist ik zeker: ik ga nooit meer naar een school.


Uit mijn dorp was nog nooit iemand naar de kunstacademie gegaan, dus daar was wel enige afstand. Het was mijn moeder die begin 1969 met een map vol tekeningen van mij op de bus naar Groningen stapte, voor een afspraak met Wim Zwiers, directeur van Academie Minerva. Zwiers bekeek mijn tekeningen en zei dat haar zoon zeker talent had en toelatingsexamen moest doen. 

Zo was het toch verrassend dat ik, via een omweg, in 1970 als student op Academie Minerva in Groningen belandde. Margriet en ik zochten een kamer in de stad en ons leven begon.

Op de afdeling ‘Publiciteit’ van Minerva waren het de vakdocenten Karst L. Zwart maar vooral Ralph Prins die mijn ogen en hart openden voor de fascinerende wereld van (grafisch) ontwerpen. 

Ralph was een erudiete en blijmoedige leermeester, ontwerper van het grote gebaar, een bevlogen en enthousiast docent die midden in de praktijk stond. Hij was typograaf, schilder, tekenaar, fotograaf en ruimtelijk kunstenaar. Nam zijn studenten daarin mee en liet zien hoe ontwerpen een breed werkterrein en genoegen kon zijn. Van hem leerde ik dat het een plicht was de lat altijd hoog te leggen, dat je zelf altijd initiatieven kunt nemen, dat het ontwerpersleven een bevoorrecht leven is. 

De voltallige afdeling Publiciteit Academie Minerva 1971: vlnr. Rob van den Elst, Henk Suurling, Klaas Geertsma, Ebe Treffers, Frans Leroux, Wout Müller.Karst L. Zwart, André ?, Gerard Meuleveld, Bert Dost, Joost ?, Koos Staal, Ralph Prins, Klaas Brons,  Sybe Sybesma, Jan Wessels, Albert Verboon, Kees de Vries.Jarko Aikens, Tineke Wieringa, Ymkje Cussél. Vormgeving lijkt in 1971 vooralsnog een mannenzaak…

Met een actief kopgroepje ouderejaarsstudenten van de afdeling werkte ik dagelijks in ons vaste les/werklokaal. Tussen de studiejaren onderling ontstond zo een vruchtbare uitwisseling. We werkten samen, ik leerde veel van hen en ons verbond elke dag de fascinatie voor het ontwerpvak.

Studiereizen in eigen land en naar Londen, stages in 1973 bij de afdeling PR van Enka in Arnhem en Total Design in Amsterdam waren aanvullend inspirerende en leerzame introducties in de grote wereld van het ontwerpen, evenals het begin van collegiale contacten en vriendschappen.

In 1975, na mijn eindexamen, schroefde ik in Groningen een bordje naast mijn voordeur: 
Koos Staal, grafisch ontwerper gvn
Zó! Ik was eigen baas.
Ik had een werkkamer, een telefoon, een fiets, 
én al een opdrachtgever. 
En wat voor één…

Twee jaar eerder: 
Een gure novemberochtend in 1973. Ik had een dag vrij genomen van mijn stage bij Total Design en stapte uit de bus van Groningen naar Emmen, bij het Noorder Dierenpark, voor een afspraak met het recent aangetreden directie-echtpaar Jaap en Aleid Rensen, om hen het ontwerp van hun nieuwe seizoenfolder te presenteren.

Hoe ik daar terecht was gekomen? 
Twee ouderejaarsstudenten, Henk Suurling en Ebe Treffers, ontwierpen als eindexamenproject een huisstijl voor het Noorder Dierenpark Emmen, een ontwerp met een wat nostalgische toonzetting. Omdat de nieuwe directie juist volop afstand wilde nemen van de ouderwetse dierentuin, van tralies en aapjes kijken, werd die huisstijl niet uitgevoerd. 

Henk verhuisde naar Amsterdam, waar ik gedurende mijn TD-stage bij hem in huis een kamer huurde. In die periode verzocht Aleid Rensen hem alsnog een folder te ontwerpen voor het Noorder Dierenpark. “Maar niet in die nostalgische stijl hè!” We besloten daar samen aan te werken, maar onverwacht kreeg Henk een baan aangeboden in Parijs. We spraken af dat ik het daarom alleen zou doen.

En daar stond ik dan, vijf weken later, in Emmen, met mijn ‘academiemap’ onder de arm. Behalve die seizoenfolder had ik ongevraagd en met jeugdige overmoed allerlei ontwerpen gemaakt voor wat mij nuttig of leuk leek voor een moderne dierentuin: affiche-reeksen, informatieve boekjes, draagtassen, spelletjes, souvenirs. Aleid Rensen herinnert zich die eerste ontmoeting in het boek De Verdwenen Dierentuin (2014) als volgt: “Schetsen van Koos, teveel voor de tafel in ons kleine kantoortje. Alles zag er vrolijk, eigentijds en speels uit. Zijn werk sloot precies aan op onze visie en gedachten over het park. We zaten volledig op dezelfde golflengte. Ook als persoon lag Koos ons. Bescheiden en tegelijkertijd zelfverzekerd, met een groot gevoel voor humor. Jaap en ik wisselden een korte blik. Overleg was niet nodig: dit was een meer dan uitmuntende ontwerper voor ons park…”

Had ik me een betere start kunnen wensen? De samenwerking met het Noorder Dierenpark zou zevenendertig jaar duren, waarvan tweeëntwintig jaar met Rensen en vijftien jaar met hun opvolger Henk Hiddingh. 

Mijn eerste uitgevoerde afficheontwerp.

Bijdrage aan de expositie Start ’75 in het Stedelijk Museum Amsterdam. 

Een van de tientallen ‘speurtochten’, geïllustreerd door Anjo Mutsaars

Biotheek: een educatief verrassingspakket voor basisscholen, ter voorbereiding op de aanstaande schoolreis naar Emmen. Informatie over een biologisch thema zoals eten, voortbeweging, zien, huid en haar, en materiaal om dat thema in de klas aanschouwelijk te maken: bouwplaten, spelletjes, materiaal voor proefjes. 

De bus vol kinderen komt terug van schoolreis uit Emmen. Ouders staan ze op te wachten, maar de bus lijkt leeg…totdat alle kinderen achter de ramen opduiken met een dierenmasker op. De masker-vouwplaten waren een populair souvenir, aangeboden met een educatief boekje waarin je bijzonderheden las over het betreffende dier.

De ambitie van het echtpaar Rensen was: die zieltogende, sterk verouderde dierentuin transformeren naar een nieuw modern dierenpark, met ‘open’ dierenverblijven en, dat was een noviteit in 1973, bij alles accent op natuureducatie. Grafische vormgeving zou in die transitie een grote rol spelen. Immers die educatieve functie zou vragen om veel publicaties, lesmateriaal en tentoonstellingen. 

Vanaf 1973 werd de huisstijl gedragen door het woordmerk Noorder Dierenpark. In 1998 vroeg Henk Hiddingh ons een beeldmerk te ontwikkelen. We zochten daarin een combinatie van een land-, water- en luchtdier. Bart Kootstra tekende deze compacte vorm.

Zoo Informatie: Van de vele educatieve uitgaven was kwartaalblad Zoo Informatie het vlaggenschip. Thematische nummers waarvan slechts het formaat (21 x 21 cm), de omvang (32 pag.) en een aantal minimale huisstijlregels vast stonden. Zo kreeg elk nummer z’n eigen vorm. Op dat podium werd mijn werk prominent zichtbaar, waardoor menig volgend opdrachtgever mij wist te vinden. Het motto ‘van het een komt het ander’ werd een rode draad in mijn carrière. 

Kranten

Zo was ik zomer 1985 op bezoek bij George Vogelaar, de nieuwe hoofdredacteur van de Groninger dagbladen Winschoter Courant en De Noord-Ooster. Een geboren Amsterdammer die recent naar het noorden was verhuisd en met zijn gezin het Noorder Dierenpark had bezocht. Daar was mijn werk hem opgevallen en hij vroeg of ik zou willen nadenken over een nieuwe vormgeving van zijn kranten. Kort daarop werd de opdracht uitgebreid: uitgever Wegener had besloten dat de Groninger kranten moesten fuseren met drie Drentse dagbladen: de Drentsche en Asser Courant, de Emmer Courant en het Hoogeveens Dagblad. De nieuwe hoofdredactie, bestaande uit George Vogelaar, Piebe Prins en Jan van Kooten, verzocht mij vervolgens een nuchtere, enigszins brutale fusiekrant voor de Drents-Groningse Pers/DGP te ontwerpen en de (opmaak)redactie te begeleiden bij de invoering ervan.

Ik zag dit als een eervolle en verantwoordelijke opdracht. Als typografie érgens relevant is, dan is het bij een krant. Daar gaat het niet om mooimakerij maar om elke dag tienduizenden lezers via heldere typografische codes en structuur door de gelaagde inhoud van de krant te loodsen én ook om praktische toepasbaarheid voor de makers van de krant. 

Paginastructuur DGP-dagbladen: basisstramien van zestien halve kolommen, waarvan drie voor een kolom waarin alle korte berichten en rubrieken werden gebundeld, een halve kolom aan de buitenkant voor navigatie, verticale paginatitels en het tussenstuk van twaalf voor grotere artikelen.

Minimalisering van de typografische middelen: twee kopletters, drie kolombreedtes, twee lijndiktes. De complexe structuur van het begin van een bericht (vierkantje, plaatsnaam in aangespatieerde kleinkapitalen, half kastlijntje, begin tekst) werd mogelijk gemaakt dankzij technisch vernuft van ict-er Geeuwke de Wit. die de toen nog primitieve software zo wist te bewerken dat met één toetsaanslag van de redacteur deze vorm realiseerbaar werd.

Instructies geven bij de Winschoter Courant: Links naast mij Jan van Kooten, de ontwerper die mij in 1969 aanraadde naar de Academie te gaan. Hij was in de journalistiek beland en inmiddels DGP-adjunct-hoofdredacteur. Door zijn grafische roots voor mij een stimulerende steun in de hiërarchie van de uitgeverij. 

De nieuwe krant vond alom waardering bij lezers en redacties, en internationale belangstelling vanuit de Society of Newspaper Design en WAN-IFRA (World Association of Newspapers and News Publishers), waar het ontwerp meermaals werd gepresenteerd op hun congressen en bekroningen won, wat vervolgens ook mijn reputatie vleugels gaf.

Krantenfusies
Het DGP-basisontwerp fungeerde tot voorjaar 2002, toen ontstond na de fusie van DGP met het Nieuwsblad van het Noorden, een nieuwe krant: Dagblad van het Noorden.

Dagbladfusies, bedoeld om dalende oplages te stoppen en kosten te reduceren, waren aanvankelijk vaak reden mij in te schakelen. Als twee of meer kranten samengaan, elk met een eigen stijl en karakter, zal er een nieuwe vorm en stijl moeten komen voor de fusiekrant. Dat werd traditioneel gedaan door interne vormgevers, maar een extern ontwerper, die er met een frisse, onpartijdige blik naar kijkt, had veel voordelen en leek ook mij de beste keuze.

Buitenlandse zaken
De echo van het DGP-project bracht me niet alleen op redactionele hoofdkantoren in Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Zwolle, Apeldoorn, Arnhem, Nijmegen, Breda, Amsterdam, Hilversum, Haarlem, Venlo en Maastricht, maar ook over de grens.In 1995 presenteerde ik het ontwerp van de Noordelijke kranten voor een groep Scandinavische journalisten op een congres in Parijs. In de zaal zat de Deense cartoonist Lars Refn, die geïnspireerd door mijn DGP-project zei dat hij de hoofdredacteur van zijn krant in Kopenhagen zou proberen te overtuigen om mij in te huren voor hun geplande redesign. Een half jaar later kwam uit Kopenhagen een fax van die hoofdredacteur, Per Westergård. Of ik wilde komen praten. Dat wilde ik wel.

Zo begon mijn eerste buitenlandse opdracht. Een redesign voor Ingeniøren, een weekkrant voor iedereen die betrokken was bij techniek in Denemarken. 

De vernieuwde Ingeniøren 1998, wekelijks drie katernen.

Wie vanuit Groningen heel Nederland en het buitenland wil bedienen is geholpen met degelijk en vlot rijdend materieel. Ach, het blijven jongens…

De Denen bleken prettige bijna-Nederlanders, waardoor de samenwerking zonder lastige cultuurverschillen vlot verliep. De oplage van de vernieuwde krant steeg en als kroon op het werk kreeg Ingeniøren in 1998 de Anders Bording Award, voor de beste media-lancering van dat jaar, uit handen van de Deense minister-president, Anders Fogh Rasmussen.

Met het gezin naar Kopenhagen voor de feestelijke uitreiking van de Anders Bording Award in 1998.

Acht jaar later keerde ik terug om, op verzoek van een nieuwe hoofdredacteur, Arne Steinmark, te adviseren bij een design-update van Ingeniøren, in nauwe samenwerking met de Deense collega’s Ann-Britt Böström en Lars Pryds. En ondertussen was Per Westergård chef geworden van dagblad Åarhus Stiftstidende. Waardoor ik ook de weg naar Åarhus vond en daar in 2006 een vernieuwde krant introduceerde.

De vernieuwde Århus Stiftstidende.

Per Westergard licht mijn schetsen toe aan enkele van zijn redacteuren in Århus.


Ondertussen in Singapore…
“Can you please recommend a suitable designer for a revamp of our newspaper?” 

Die vraag stelde in 2001 een delegatie van The Star, Maleisië’s grootste (in oplage) Engelstalige dagblad, op het WAN-IFRA kantoor in Singapore. Toevallig was Jürgen Müller-Stephan, een WAN-IFRA-manager uit Duitsland en fan van mijn DGP-project, op werkbezoek in Singapore. Hij hoorde deze vraag, mengde zich in het gesprek, om vervolgens mij aan te bevelen. Nog geen week later kwam een bondig mailtje uit Kuala Lumpur: “Hi Koos, can you be in KL next week? Teh Eng Huat.” 

Ach, zo kom je nog ’s ergens. 

Teh Eng Huat staat mij op te wachten op Kuala Lumpur International Airport.

Met redesign-projectteam op de redactie van The Star. Naast mij David Yeoh en Teh Eng Huat.

Mijn tijdelijke werkplek, zestien-hoog in Star Torwer.

En dan wil iedereen opeens tabloid!
Een krachtige impuls voor de krantenwereld was dat vanaf 2004 dagbladen wilden transformeren van het gangbare broadsheet-formaat (41 x 59) naar het kleinere tabloid (29,5 x 41). Omdat het handzamer is en de losse verkoop zou stimuleren. Het Parool, Cobouw, Dagblad vh Noorden/Leeuwarder Courant zetten me aan het werk. Bestaande titels die al op klein formaat verschenen, wilden ook vernieuwen: Spits, Kidsweek/7days, Delta, Cursor, KvK Kamerkrant. En er kwamen initiatieven voor nieuwe gratis dagbladen in het openbaar vervoer, op straat en bij de benzinepomp: ANWB Auto, Re:den Haag, Amsterdam Times, Z24, NL-NWS. In dit mediale vernieuwingsklimaat wilden ook weekbladen als Binnenlands Bestuur, RePublic en VNG Magazine niet achterblijven. Ontwerper gezocht. Druk, druk, druk. 

Een selectie van mijn tabloids en weekbladen.

NL.NWS: Proefnummer van een populaire tabloid voor de Nederlandse markt. (NDC)

Z24: Proefnummer van een gratis dagblad voor ‘young professionals’. (Financieel Dagblad)

Dat alles bracht me nota bene terug naar school, maar nu vóór de klas. Jan Middendorp vroeg me in 2013 hem op te volgen bij het Plantin Instituut voor Typografie in Antwerpen. Een kleine drie jaar gaf ik daar colleges mediavormgeving. Ik gaf daarna het stokje door aan Jan Paul van der Wijk (NRC). Daarnaast gaf ik her en der gastcolleges en lezingen over het ontwerpen van kranten. 

In 2014 werden specifieke aspecten van de door mij ontworpen kranten gebundeld in het boek PaperworksNL. 

PaperworksNL: Er verschijnen veel boeken over aspecten van het ontwerpen van boeken, postzegels, kalenders of letters, maar nauwelijks over een alledaags grafisch product als de krant. Vandaar PaperworksNL.

Er waren ondertussen weinig Nederlandse krantenredacties waar ik niet over de vloer was geweest. Binnen de krantenwereld leek ik, na (re)design van meer dan honderd krantentitels en magazines, weliswaar een specialist geworden, maar ik heb altijd actief nagestreefd om behalve kranten en bladen vooral ook ander werk te blijven maken.

Kalenders, agenda’s en boeken

De geboorte van onze kinderen en alsmaar toenemende werkdruk maakten dat ik vanaf 1989 assistenten in vaste dienst nam. Maar de rol van werkgever beviel me allerminst. 

In juni 1992 was ik rijksgecommitteerde bij de eindexamens van Academie Minerva en ontmoette daar examenkandidaat Geja Duiker. Haar werk en attitude maakten indruk. En omdat ik ondertussen weer alleen werkte maar wel hulp miste, vroeg ik Geja of ze mij, als freelancer, wilde assisteren bij een kalenderopdracht.

Met een door Swip Stolk ontworpen kalender kreeg de Groninger lithograaf/drukker Pijper Reprofessionals in 1992 een eervolle vermelding in de kalenderwedstrijd van het weekblad Graficus. Dat smaakte naar meer en Pijper vroeg mij zijn kalender voor 1993 te ontwerpen. 

Tijdens mijn TD-stage had ik intensief gewerkt aan een kalender die Wim Crouwel jaarlijks maakte voor Drukkerij v/d Geer en zo ontdekte ik dat de wetmatigheden van een kalendarium een fascinerende typografische uitdaging zijn. Ik had er zin in.

Als kalenderthema kozen we biologische klokken. Tekst en beeld leverden Aleid Rensen en bioloog Wijbren Landman van het Noorder Dierenpark. De kalender lieten we drukken op 32-grams semi-transparant, zogenaamd ‘slagerspapier’. Zo zag je door het voorliggende blad het volgende weekkalendarium al opdoemen uit de mist van het doorschijnende papier. De kalender Alles op z’n tijd werd ingezonden naar de Graficus-kalenderwedstrijd 1993 en won de eerste prijs.

Kalenderbladen Alles op z’n tijd.

 Naar aanleiding van deze positieve ervaring leek het mij een goed idee de samenwerking met Geja te continueren. Niet als werkgever-werknemer maar als bureaupartners. Zo ontstond in 1993 de maatschap Staal & Duiker grafisch ontwerpers, gevestigd in mijn praktijkwoning aan de Rijksstraatweg in Haren. Een harmonieuze samenwerking die 21 jaar zou duren. 

Bericht van samenwerking Staal & Duiker.

De kracht van die samenwerking zat in de onderlinge wisselwerking en onze ‘maandag-vergadering’. Dan namen we gestructureerd de lijst door met wat er te doen was en daar ontstonden in samenspraak ideeën, oplossingen en afspraken over wie vervolgens wat zou oppakken, uitwerken of regelen. Toen ik nog alleen werkte neigde ik ertoe om keuzes heen te draaien: het kan zus, maar ook zo, of misschien toch anders. Als duo bleken we beter georganiseerd en een stuk slagvaardiger. 

Schatplichtig aan ons eerste gezamenlijke project ontwierpen we vanaf 1994 elk jaar een eigen kalender of agenda. Een eindejaarscadeautje voor onze relaties. Bevriende tekstschrijvers als Elke Beekman, Eric Nederkoorn en fotografen Reyer Boxem, Ton Broekhuis, Harry Cock en John Stoel werkten mee. Voor de uitvoering vroegen we drukker André van Liere en onze reguliere lithografen, dtp-ers en binders mee te doen. Ieder leverde genereus zijn bijdrage om niet en kreeg als dank honderd exemplaren, of meer, om rond de kerst uit te delen. Zeventien jaar lang begonnen Geja en ik in september na te denken over het thema en de vorm. Uitwerken in oktober, drukken in november en in december binden, afwerken, verpakken en verzenden. Altijd stress omdat drukker en binder dit pro-deo werk moesten doen in een periode van het jaar waarin ze het erg druk hadden met regulier betaald werk. “Kom er nou mee in de zomermaanden, dan hebben we tijd voor zoiets,” werd vaak verzucht. Nooit gelukt. Die tijdsdruk hadden wij nodig om te kunnen presteren.

Een halve meter kalender en agenda’s, de thema’s: 1994 Oud, 1995 Geheim!, 1996 Tijd en kosmische oorzaken, 1997 Dagen tellen, 1998 Dossier ’98/Registratie, 1999 Het einde, 2000 Afspraken, 2001 Gezocht? Gevonden!, 2002 Duo’s, 2003 Zuinig, 2004 The best of Staal&Duiker, 2005 Nr.13 / Bijgeloof, 2006 Opnieuw beginnen, 2007 Inspiratie, 2008 Smartbook 8.0, 2009 Doe-Het-Zelf, 2010 Hergebruik

Kalender 1994 – Oud: Week-scheurkalender in het Jaar van de ouderen, over ouderdom bij mens, dier en ding. Kalendarium als levenscyclustrap. Gedrukt op snel vergelend papier en bewust slecht geperforeerd waardoor aan de bovenkant gescheurde resten van vorige bladen achterbleven en veroudering letterlijk illustreerden. 

Agenda 2003 – Zuinig: Zuinig formaatje (11 x 16 cm), gedrukt op blanko achterkanten van eenzijdig gebruikte ‘proefvellen/voorlopers’ uit de drukkerij, Japans gebonden pagina’s met beeldspreads over zuinigheid en onder het kalendarium tips. Mét spaarkaart en spaarzegeltjes. 

Agenda 2009 – Doe-Het-Zelf: Een voor- en achterplat, twee metalen bindringen en een link naar een pdf van het binnenwerk stuurden we rond. Om thuis te printen op drieënvijftig a-viertjes, na het vouwen twee gaatjes perforeren en je had zelf een agenda gemaakt. In het binnenwerk tips voor zelfwerkzaamheid.

 

Jaarlijks ritueel: onder grote tijdsdruk, vlak voor kerst de agenda’s inpakken en verzendklaar maken.

Tijdens het jubileum van de Kalenderwedstrijd werden we uitgeroepen tot de jubileumwinnaars. In die vijfentwintig jaar waren we van alle deelnemers het vaakst onder de winnaars.

Boekwerk
Die agenda’s waren een speeltuin, een reflectie van het plezier in het ontwerpen en de combinatie van nuttig en aangenaam. Maar ook exercities om tussen voor- en achterplat iets meer te doen met materiaal, constructie en vorm. Die ervaring, en ons adagium ‘mag het een ietsje meer zijn’, straalde ook af op andere boekprojecten. Drie voorbeelden.

Groninger kampioenen: Drukker Guus Sligter uit Leens werd Grafimedia Ondernemer van het jaar 2003 en vroeg om iets te bedenken om dat te markeren. Dat werd een boek met, inclusief Guus, vijfentwintig verzamelde Groninger kampioenen. Vanwege de aan Groningers toebedachte bescheidenheid (‘let maar niet op mij’) zijn ze achter een luikje geplaatst. Een van de Best Verzorgde Boeken 2005. “Een hoogstandje van vormgeving, druk, papiergebruik, afwerking en bindtechniek”. (Hub.Hubben in de Volkskrant)

 

Een kostbaar bezit: Het Koninklijk Penningkabinet in Leiden wilde een kloek coffee table-boek over hun topstukken. Die topstukken bleken echter nogal minuscuul te zijn. Daarom werd het een klein boekje (10 x 10 cm). Als kleinood verpakt in een doosje met de titel, Een kostbaar bezit, als randschrift. De topstukken zelf werden 1:1 afgedrukt naast een sterk uitvergroot detail.

Krant van gisteren, uitgelezen hergebruik: Wat je allemaal nog meer kunt doen met een papieren krant, behalve hem lezen? Gedrukt op 52 grams courantdruk op de kranten-rotatiepers van BDU te Barneveld. Een van de Best Verzorgde Boeken 2013. 

Dagelijks werk

Loyaliteit 
Kenmerkend voor mijn praktijk was dat de opdrachtgever naar mij toekwam en niet andersom. Ik heb wel eens een organisatie benaderd met de suggestie iets voor hen te kunnen betekenen maar dat werd nooit wat. Kennelijk was ik een beroerde verkoper. Aan pitches en aanbestedingen deed ik niet mee. Gekozen worden omdat je de goedkoopste bent vond ik ronduit beledigend.

Maar de opdrachtgevers die kwamen, bleven doorgaans lang en bleken ook ambitieus en loyaal. Dat had niets te maken met vriendjespolitiek maar ging altijd om wederzijds vertrouwen in proces en resultaat. Aleid Rensen, Leon de Wolff, George Vogelaar, Per Westergård, Gert Selles, Lize Alink, Frits Campagne, Ans van Genderen, Kees Frenay, Evert van Dijk bleken trouwe opdrachtgevers die met hún ambitie mij ook verder brachten. 

Neem Wim Ramaker. NCRV-radiomaker, die in 1985 directeur werd van de regionale omroep Radio Noord. Eenmaal in Groningen kwam hij via mijn Noorder Dierenpark-werk op mijn spoor en vroeg me de huisstijl te ontwerpen voor Radio Noord. 

Huisstijl Radio Noord: Elke dag in de lucht. 

Evolutie van het Logo in 2005, bij de komst van regionale televisie. De Noord-pijl in cirkel werd ook als separaat element toegepast.

Vier jaar later werd Ramaker directeur van De Rode Hoed in Amsterdam en had ik geregeld werk te doen aan de Amsterdamse Keizersgracht. In 1991 promoveerde hij tot directeur van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. 

“Met Wim, we hebben een soort huisstijl nodig.”
“Ik kom eraan.”

Enkele weken nadat ik mijn schetsen had gepresenteerd overleed Wim Ramaker onverwacht. Zijn opvolgster, Nine Nooter, had echter de ontwerpen gezien en wilde graag verder. Zo ontwierpen we negen jaar lang o.a. het drukwerk rond de jaarlijkse Nationale Dodenherdenking op de Dam op 4 mei.

Logo nationale 4 mei herdenking.

Jubilerende koningin Beatrix met het boekje ‘Een tuin van glas’. 

Een direct gevolg daarvan was een opdracht van het Nationaal Comité Zilveren Regeringsjubileum Koningin Beatrix in 2005: het boekje te ontwerpen bij het Nationale Geschenk voor de jubilerende koningin, een door kunstenaar Marc Mulders ontworpen glas-in-lood raam in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Zo verkeer je opeens in de hoogste kringen.

Loyaliteit in twee richtingen
Lithografen, dtp-ers, drukkers en boekbinders waren belangrijke dagelijkse partners c.q. steunpilaren. Ik hechtte ook daar aan bestendige en langdurige werkrelaties. Die trouw betaalde zich altijd uit in meedenken bij technische uitdagingen en souplesse bij te krappe levertijden. Dankzij wederzijdse waardering en vertrouwen, en af en toe een slagroompunt, kon ik ook een potje breken. En er ging er nog wel ’s een stuk.

Een architect metselt niet
“Goede vriend, als je wilt blijven meedoen zul je toch de computer als werkgerei moeten toelaten.” Het was een telefoontje van Ben Bos dat mij in 1989 over de drempel trok naar mijn bescheiden digitale toekomst. Een Apple Macintosh kwam op mijn werktafel. Fascinerend apparaat. Maar ontwerpen bleef een zaak van zwarte fineliner en een ruitjesblok. 

De uitwerking van het op papier gegroeide idee veranderde wel. Om een toonbaar model te maken werden Letraset en rubbercement vervangen door Adobe Illustrator. Illustrator was en bleef voor alles mijn favoriete en enige programma. Zelfs de brieven en facturen typte ik daarin. 

Software als Quark XPress, Indesign en Photoshop hield ik buiten de deur. Ik zag gaandeweg dat drukklaar uitwerken op de Mac voor collega’s een onderdeel van hun vormgevingsproces werd, zelfs een verdienmodel. Maar onder het motto ‘een architect metselt ook niet’ heb ik dat altijd afgehouden. Opmaakwerk en lithografie was expertise van prepressbedrijven en drukkers. Dat betekende wel dat ik halve dagen of meer naast dtp-ers aan hun beeldscherm zat mee te kijken, aanwijzingen geven, veranderen. Ze werden af en toe wel gek van me denk ik, maar dat hebben ze nooit laten merken. 

Meekijken met de onverstoorbare dtp-er’s Sebastiaan Lenting en Alex Huizinga bij MarneVeenstra. 


Local hero 
Wonend en werkend vanuit het noordelijke Haren/Groningen heb ik mezelf nooit beschouwd als een regionaal ontwerper. Mijn inspiratiebronnen, designhelden en klandizie vond ik ook buiten de regio en Nederland. Maar terugkijkend zijn er toch heel wat regionale projecten en organisaties die ik een gezicht gaf. Ging ik thuis de deur uit, kwam ik geregeld eigen werk tegen. Op gevels, abri’s, borden, rijdend materieel, in de boekhandel of het krantenrek. 

Een selectie van huisstijlen en publicaties van noordelijke organisaties: 1 Gouden Eeuw in Groningen, Groninger Museum / Huisstijl gemeente Emmen / Huisstijl Drents Museum Assen – 2 Huisstijl aannemingsbedrijf Bouwborg, v/h Poppema, Groningen / Huisstijl Ateliers MTW, Groningen – 3  Huisstijl event organisatie ZOZ, Groningen / Basisontwerp Dagblad van het Noorden / Huisstijl en inrichting Hunebed Centrum, Borger – 4 Logo kringloopwinkel Haren / Huisstijl Hogeschool Drenthe / Huisstijl Bibliotheken in Drenthe / Mobiele waarschuwingsborden Rijkswegen Groningen – 5 Huisstijl timmerfabriek de Verbinding, Groningen / Logo Geopark de Hondsrug – 6 Publicatie Veenkolonioaal Museum, Veendam / Huisstijl Museum de Buitenplaats, Eelde / Affiche opera over H.N. Werkman, Groningen / Huisstijl Landgoed Verhildersum, Leens – 7 Basisontwerp Leeuwarder Courant / Huisstijl Cultureel Centrum Zuidhorn / Huisstijl Provincie Drenthe / Groninger Jubileumboek. Huisstijl Trip Advocaten & Notarissen, Groningen / Publicatie Amsterdamse School op Groninger Hogeland / Ontwerp Stadsmagazine gemeente Groningen / Inrichting expositie Ode aan Ede, Leens. Corporate Identity Trip Advocaten & Notarissen, Groningen / Publication Amsterdam School on Groninger Hogeland / Design City Magazine Municipality of Groningen / Exhibition design Ode aan Ede, Leens.


Ontkoppelen
In 2014 staakten we de maatschap Staal & Duiker. Geja werd steeds meer in beslag genomen door haar, als bijbaan begonnen, docentschap op Academie Minerva. Margriet en ik maakten plannen om deels in Potsdam (Duitsland) te gaan wonen en zo tussen de opdrachten door te wennen aan een kalmer bestaan. 

Mijn behoefte om afstand te nemen van de praktijk werd echter ook ingegeven door een veranderend werkklimaat. Wat mijn werk in Emmen en de krantenwereld succesvol en aangenaam maakte, was dat ik daar altijd met de beslissers aan tafel zat. Ik werkte in nauw overleg met zeer bij hun krant en bedrijf betrokken hoofdredacteuren en directies. Zo was je het over de hoofdlijnen snel eens, en bouwde je samen aan het nieuwe product. Vormgeving was ‘Chefsache’.

Dat veranderde toen ik steeds vaker te maken kreeg met een Afdeling Communicatie, veelal bevolkt door parttime werkende jongelui die, lager in de pikorde, niets zelf mochten beslissen en aan het eind van het gesprek opgewekt zeiden: “We nemen jouw voorstel mee in ons teamoverleg en laten je daarna weten wat we ervan vinden.” Vormgeving werd gedelegeerd en de besluitvorming gedemocratiseerd. 

Voor mij was die degradatie van mijn vak de dood in de pot en meestal reden om te kappen.

Mijn laatste opdracht was redesign van het Friesch Dagblad, gefaseerd uitgevoerd in de periode 2021-2023. Een project dat ik tijdens de implementatiefase aanstuurde vanuit Potsdam en mede dankzij de door mij ingeschakelde collega Corné van der Horst, als mijn boots-on-the-ground op de redactie in Leeuwarden, vlot en soepel verliep. Een aangenaam project, niet in het minst door de betrokkenheid en aanstekelijk enthousiasme van hoofdredacteur Ria Kraa.

Presentatie van het vernieuwde Friesch Dagblad voor de lezers.

 Waarschijnlijk de enige Friesch Dagblad lezer in Potsdam.

De afronding daarvan, vijftig jaar nadat ik in Emmen met mijn map uit de bus stapte, leek mij een goed moment om mezelf met pensioen te verklaren. 

Om mijn afscheid van de actieve ontwerppraktijk kenbaar te maken aan mijn relaties wilde ik (hoe verrassend) een boekje maken: geen retrospectief met topstukken uit mijn carrière, maar een algemene illustratie van wat grafische vormgeving is en vermag. 

Jaren geleden had ik onder collega’s en vrienden een oproep gedaan om mij foto’s te sturen van al of niet opvallende m/v-pictogrammen op toiletdeuren. Zo groeide gestaag een curieuze collectie. Aanvankelijk had ik nog geen idee wat daarmee te gaan doen, maar nu leek het een goede gelegenheid die pictogrammen te tonen als metafoor voor grafische vormgeving. 

Dat werd het boek Koppeltekens. Twaalf hoofdstukken m/v-beelden laten zie hoe je dezelfde vraag op vele manieren visueel kunt beantwoorden. Daarin schuilt de rijkdom en het plezier van grafisch ontwerpen.

Afscheid van de actieve ontwerppraktijk met Koppeltekens, eind 2023.

Inmiddels ben ik grafisch ontwerper b.d. Werk enkel nog aan zelf-geïnitieerde boekprojecten en ben Chef Logistiek van de Stalinski’s, onze beide dochters die allebei werken als zelfstandig illustrator. In hen herken ik belangrijke elementen uit míjn ontwerpersbestaan: de combinatie van talent, werklust, ambitie en een beetje geluk. 

Aan alle vier, maar zeker aan het laatste, had ík geen gebrek.


Koos Staal
geboren in 1951, Meden


Auteur: Koos Staal, juni 2026
Eindredactie: Sybrand Zijlstra
Portretfoto: Aatjan Renders